De zin van het leven

0
4

Gerard Visser`De titel van de bundel, Water dat zich laat oversteken, is ontleend aan een dichtregel van René Char die een leidraad vormt in het eerste opstel. Binnen het weefsel van mijn betoog duidt dit beeld op de onuitputtelijkheid van het leven die – als eenmaal het standpunt van de beleving is betrokken ten einde hier aan recht te doen – om een houding blijkt te vragen van gelatenheid.’

`Eind 2001 kreeg ik op mijn kamer aan de universiteit bezoek van twee mij onbekende studentes. Ze legden mij uit dat de vier christelijke studentenverenigingen in Leiden eens per jaar bijeenkomen rond een gemeenschappelijk thema. “En wat kan ik daarin voor jullie betekenen?” “Wij hebben gehoord dat u iets kunt vertellen over de zin van het leven.” Spontaan schoot ik in de lach en antwoordde dat ik dat nog niet zo zeker wist. In het eerste opstel van de bundel, “De vraag naar de zin van het leven”, heb ik mij in de geest van dit voorbehoud geconcentreerd op de aard van deze vraag. De vraag naar een waartoe is voor ons de vraag naar een doel. Maar kun je naar de zin van het leven vragen zoals je vraagt naar de zin van een handeling?

Zijn wij op aarde geboren om God te dienen? Of om onszelf te dienen? Dit opstel geeft ter overweging of niet belangrijker dan alle antwoorden het leren openhouden van de vraag is. De zin van het leven blijkt althans niet te kunnen worden vereenzelvigd met een doel, zoals dit in een dogmatische geloofsleer of in de moderne belevingsrationaliteit gebeurt. Het opstel bepleit een derde standpunt, het leren verstaan van de zin van het leven als een dimensie – zo onuitputtelijk als het water – die ons laat leven. Een standpunt dat plaats geeft aan een vermoeden zoals Carlos Drummond de Andrade dit in een van zijn laatste verzen, “Onthechting”, heeft verwoord: “O mijn ziel, verlaten zuster, troost je mij bewoond te hebben, / zo niet ík het was die jou bewoonde (….).”’

Of er van buitenaf iets op de muur tikt – Een situering van het werk van Otto Duintjer

`Hij had me al eens gevraagd: “Zullen we samen een keer iets doen?” Hij wilde daarvoor best naar Leiden komen. Ik moest hem toen antwoorden: “Maar Otto, ik heb niets.” Ik was redelijk thuis in het grensgebied van filosofie en kunst, maar over spiritualiteit had ik nog niet geschreven. Wel was ik erheen onderweg, langs meerdere wegen. Een daarvan was mijn jarenlange gesprek met Nietzsche. Dit bracht mij op een idee, dat resulteerde in een gezamenlijk seminar voor gevorderden in Leiden in het tweede semester van het studiejaar 1994-1995, onder de titel “Transcendentie. Naar aanleiding van Nietzsche en Plato”.’

`Het gezamenlijke seminar bood mij niet alleen de gelegenheid grondiger kennis te nemen van zijn werk, het dwong mij eveneens voor het eerst de spirituele implicaties na te gaan van mijn eigen weg. In het opstel resulteert dit in een vraag waarvan het gewicht nadien voor mij alleen maar is toegenomen. Tussen wat hij noemt het persoons- en groepsbewustzijn van ons aardse zelf en het kosmische bewustzijn van een universeel zelf, onderscheidt Duintjer een getuige-bewustzijn, dat het contact met het laatste onderhoudt. Maar dient dit getuige-bewustzijn niet uitdrukkelijk te worden ingebed in een verbinding die er altijd al is, in datgene wat niet alleen Plato maar ook nog Nietzsche de ziel noemt?’

`Een andere passage in de slotalinea luidt: `Naarmate de ziel verinnerlijkt, verwijdt zij zich binnen het omvat­tende waar zij vandaan komt. Maar is daarmee een ziel niet tevens onderweg in mij?’ Ik hecht bijzonder aan de verwoording – in de eerste zin – van de innerlijke beweging van de ziel, die ik niet alleen dank aan Duintjers immanente metafysica, maar eveneens al aan het mystieke denken van Meister Eckhart, waar ik mij vanaf eind jaren negentig in verdiepte.’ (pp.18-19)

Levensfilosofie en religie. Over de actualiteit van meister Eckhart

`In “Levensfilosofie en religie. Over de actualiteit van Meister Eckhart” toets ik het denken van de middeleeuwse magister aan een viertal levensfilosofische motieven, waar we even zovele voorwaarden in kunnen zien van een toekomstige spiritualiteit. Het woord “Erlebnis” behartigde voor zowel Dilthey als Nietzsche vier essentiële aspecten van het leven die ook in het moderne denken in hun ogen nog altijd worden onderschat of sterk verwaarloosd, te weten het geheel, de affectiviteit, de innerlijkheid en de individualiteit van het leven.’

`Nietzsche wierp de vraag op: “Voor wie bestaat er eigenlijk nog iets wat streng bindt?” In de verhoudingswijze van rationaliteit zijn wij gebonden aan de ratio en de principes die zij voorschrijft. Maar met het verval in de negentiende eeuw van de rationaliteit tot nog louter functioneel denken, meldde zich het leven, en wel in de vorm van het vermoeden omtrent een bestaansgrond die fysisch of rationeel gezien geen grond is. Dit verklaart de belangstelling voor het werk van Meister Eckhart, die woorden heeft aangereikt voor een verband dat ons talig zo weinig vertrouwd is dat zelfs Heidegger moet zeggen dat het passende woord er nog altijd niet voor is gevonden.’

Moderne kunst en religie. Met bijzondere aandacht voor het werk van Jean Bazaine

`Deze omstandigheid nu verklaart ook de wijsgerige aandacht voor moderne kunst en poëzie. Zo vertegenwoordigt de Franse schilderkunst vanaf de revolutie in het impressionisme een uitzonderlijke weg van bezinning die in hoge mate met de filosofische overeenstemt. Als Bazaine kan spreken van “een innerlijke wereld die de uitwendige omvat”, geeft dat blijk van voeling met dezelfde dimensie als Eckharts wijdte, Heideggers open midden of Duintjers kosmisch bewustzijn of alomvattende manifestatieruimte. Als ik daar zelf resonantieruimte aan toevoeg, is dat mede vanwege de aard van de beeldruimten in deze traditie van artistieke bezinning, van de enveloppe van Monet tot en met een espace en respiration bij Bazaine, die de immanentie van het transcendente tot in de materie toe ernstig neemt.’


Gerard Visser is hoofddocent cultuurfilosofie aan de Universiteit Leiden. Zijn boek Niets cadeau – Een filosofisch essay over de ziel (2009) werd genomineerd voor de Socrates Wisselbeker. Eerder publiceerde hij o.a. Gelatenheid – Gemoed en hart bij Meister Eckhart (2008). Hij is mede-oprichter en voorzitter van het Gezelschap voor Fenomenologische Wijsbegeerte.

Bij Uitgeverij Sjibbolet verscheen onlangs zijn nieuwste boek Water dat zich laat oversteken. Verkenningen in het stroomgebied van beleving en gelatenheid. Dit boek is o.a. verkrijgbaar via de website van Uitgeverij Klement.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER