Absurd

0
1

April is de Maand van de Filosofie. Daarom plaatsen we deze maand elke dag een nieuwe tekst of video op Filoblog. Vandaag een lemma uit het Klein filosofisch lexicon van Henri Oosthout, dat deze week verschijnt bij Uitgeverij Klement.

absurd — [A] Ongerijmd, onlogisch. s [B] Onbegrijpelijk en daarom slechts acceptabel door een onberedeneerd ↗geloof. s [C] Absurd in sceptische zin is de kloof tussen wat wij van de wereld verwachten en wat de wereld ons geeft (A. Camus).

>  [A] In de wiskunde bewijst men een stelling ‘uit het ongerijmde’ (reductio ad absurdum) door de tonen dat uit de ontkenning van die stelling iets volgt dat tegenstrijdig of onjuist is.

>  [B] De uitdrukking credo quia absurdum (‘ik geloof omdat het onnozel is’) berust op een tekst van de kerkvader Tertullianus: ‘De zoon van God is gestorven: dat is ronduit geloofwaardig omdat het dwaas is. Hij is begraven en weer opgestaan: dat is zeker omdat het onmogelijk is.’ Volgens Kierkegaard ‘is deze absurditeit (dat de onsterfelijke God als mens is gestorven) de kern van het christelijke geloof en het enige dat de christen kan geloven.’  Nietzsche drijft hiermee de spot: wie gelooft ‘omdat het absurd is,’ is volgens hem slechts één stap verwijderd van credo quia absurdus sum (‘Ik geloof omdat ik onnozel ben’). (Zie ook ↗fideïsme.)

>  [C] Volgens Camus (Le mythe de Sisyphe, 1942) schuilt het absurde in de tegenstelling tussen de mens die schreeuwt om rationaliteit en een wereld die zich hult in redeloos stilzwijgen. Camus spreekt ook van de ‘absurde mens.’ De absurde mens is een scepticus, en wel een van het pathologische type (↗scepsis). De absurde mens trekt alles in twijfel en ontkent elke waarheid, maar hij kan zich niet vrijmaken van wroeging om het verleden en angst voor de ↗dood. Hij kan, zoals Camus’ tijdgenoot E. Cioran het uitdrukt, niet domweg zonder ↗overtuigingen leven met de rauwe ‘luciditeit van de hoer.’

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER