Aristoteles (en andere rare Grieken) en de terugkeer van de ziel

1
5

Van Ben Schomakers,  wiskundige, classicus en filosoof, ontvingen we een mooi verhaal over de ziel en over hoe Aristoteles dacht over de ziel; de NRC zou het – zoals elk stukje van meer dan 600 woorden – een “long-read” noemen. Het is een vertaalde, bewerkte, enigszins geparafraseerde versie van een lezing die hij vorig jaar in Budapest gaf op een conferentie die in haar geheel draaide om het belang van de studie van de Oudheid en de Middeleeuwen voor de moderne tijd. Wat hebben we nog aan die Aristoteles? We plaatsen dit artikel in het kader van de verschijning van het boek Over de ziel van Aristoteles, dat is vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Ben Schomakers en deze maand verscheen bij Uitgeverij Klement.

I.
Leg uit!
Een universiteit waaraan ik een poosje lesgegeven heb is al jaren trots op een faculteit voor Middeleeuwse studies, waar mensen rondlopen die zich bezighouden met de stigmata van Christus in 6e-eeuwse iconen, feodale verhoudingen op het Poolse platteland (nu Oekraïne) rond 1100, Syrische manuscripten van Pseudo-Dionysius in de vochtige bibliotheken van Kerala en zoveel mogelijk verschillende versies van het ontologisch godsbewijs. Zonder om verantwoording gevraagd te worden gaat ieder er zijn eigen, wat wereldvreemde, maar natuurlijk ook keihard wetenschappelijke gang. Zelf heb ik er de vrijheid gehad om aan dat heel verre einde van de Middeleeuwen heen en weer te bewegen tussen de Griekse Oudheid en de Middeleeuwen en thema’s die mij dierbaar waren in de ene richting en in de andere de grens over te smokkelen. Het ging vaak over Pseudo-Dionysius, maar nog meer over Aristoteles, van wiens “ziel” ik de receptie in de late oudheid, en bij de Arabische, de Joodse en de Latijnse middeleeuwse lezers naging.

Maar ook zo’n zalig in zichzelf gekeerd instituut heeft af en toe behoefte de rest van de wereld – die het niet vergeten is – te bewijzen dat het verre van overbodig is. Kom uitleggen, waarom we Aristoteles nu moeten lezen, was de korte tekst van een uitnodiging voor de strategische conferentie, georganiseerd om het onvermijdelijk belang van Middeleeuwse studies aan te tonen. Dat wilde ik wil, uitleggen waarom Aristoteles gelezen moet worden, niet alleen aan de anonieme rest van de wereld, maar ook aan degenen die me telkens in zijn teksten hadden zien verzinken, en misschien ook wel aan mezelf. Het is goed om af en toe even toe te zien op je eigen passie. De uitleg heeft de vorm gekregen van een wilde tekst, met beweringen die in het korte bestek niet waargemaakt konden worden maar gedaan moesten worden om een bres in de wetenschappelijke stolp te slaan en daardoor de tijd waarin we leven te kunnen aanraken. Er zit een boek in, vond de neuropsycholoog die mij als respondent was toegewezen en die ik tegen mijn verwachting in (en anders dan ik gehoopt had) in niet in de gordijnen gejaagd had. Misschien komt dat boek er wel van. Voorlopig beperk ik me tot een vrije bewerking van mijn plea for the soul.

II.
Een wilde diagnose
Vast en zeker is er altijd iets mis met de samenleving waarin we nu eenmaal beland zijn. Dat besef zal erbij horen en zal ook wel te verklaren zijn. En toch lijkt er soms meer mis te zijn, of iets mis te zijn op een fundamenteler niveau. Als ik het goed zie, leven we nu in een tijd en een cultuur die meer dan ooit de effecten vertonen van een blindheid voor de menselijke natuur en de verwaarlozing van de ziel, en die haar misschien ook wel in hand werkt. Toch is dit niet de plaats voor een diepgaande analyse van de problemen die, naar mijn mening, met die verwaarlozing samengaan, omdat ik hier niet alle tijd van de wereld heb, maar vooral vanwege een hardnekkige onzekerheid die me de woorden die ik eigenlijk zou willen spreken telkens doet terugnemen. Het lukt me niet bepaalde sociale ontwikkelingen die zich in ieder geval in West-Europa voordoen zonder argwaan gade te slaan. Maar toch kom ik er maar niet achter of die argwaan, eigenlijk die weerzin, niet met mijn persoonlijke smaak en voorkeuren en afkeren te maken hebben, en of het niet zo is dat een cultuur zich ontwikkelt volgens haar eigen wetten die kloppen omdat ze zijn zoals ze zijn en werken zoals ze werken. Het zou dan ook zo kunnen zijn dat het feit dat een cultuur niet meer in de ziel en de ervaring van de ziel geïnteresseerd is en de ziel dreigt kwijt te raken simpelweg een logische ontwikkeling en misschien nog wel een aanleiding voor nostalgie maar niet voor protest is. Dat zou zo kunnen zijn. Er is tenslotte altijd iets mis.

Laat ik dus bescheidener zijn en mijn eigen ongenoegen bekennen met enkele zaken die ik meen vast te stellen en die te maken lijken te hebben met een verwaarlozing van de ziel. Misschien zijn ze niet elk een direct gevolg van die verwaarlozing, maar ze lopen er wel mee in de pas, en het kan niet anders dan dat er een verband is.

Een nauwelijks te ontkennen trend in de ontwikkeling van de moderne samenleving is die van de steeds exclusievere definitie van het leven van de mens in economische termen. We worden beschouwd als factoren in een economische constellatie: door degenen die daar op veel verschillende manieren baat bij hebben, en, vrees ik, ook door onszelf. Het individu, zeker de koppige kern daarvan, lijkt er nauwelijks meer toe te doen, de levens moeten in zichzelf en in het geheel op zo’n manier georganiseerd worden dat ze rechtstreeks en zonder uitstel, bijdragen aan de kracht en het veronderstelde, of anders toch gehoopte en in het vooruitzicht gestelde gedijen van het economische systeem. Nauw verbonden met deze reductie van het leven is een ongewoon sterke achterdocht voor het privéleven en de innerlijkheid van de mensen die voortdurend en vanachter steeds meer bomen bespied en gemonitord worden en als een sluipend en onafwendbaar gevolg daarvan zichzelf ook op zo’n manier gaan gedragen en vormen dat ze transparant worden voor degenen door wie ze gemonitord worden (wie dat ook precies mogen zijn) en ook zo dat ze bij elkaar op het gemak kunnen voelen: ze veronderstellen bij elkaar dezelfde houding, dezelfde waarden en dezelfde overgave aan het economische system, en ook dezelfde verwaarlozing van de ziel en, neig ik te denken, van de aard van de mens.

Als ik me niet vergis gaat met deze reductie van de mens en met deze maatschappelijke uniformering (uniformering is het juiste woord) die er het gevolg van is (want het wordt ook een waarde om op dezelfde manier mee te doen in het economische systeem) ook een steeds groter ongemak met menselijke diversiteit en de individuele aard van andere mensen gepaard: wil je zijn wie je bent, doe dat dan thuis (voorlopig dan, want we kennen je voordeur), en niet in het openbaar. Die ongewenste andersheid heeft misschien niet in eerste instantie of uitsluitend te maken met huidskleur of religie, want Chinezen en Indianen die zich met een stropdas en een smartphone vertonen en die op facebook zitten worden niet automatisch als anders opgevat. De andersheid hangt vooral samen met de mate waarin die andere mensen bereid zijn de waarden te aanvaarden die geldig en nuttig zijn in het mechanisme van het economische systeem. Het zijn meer en meer mensen die een alternatieve, niet met het dominante systeem compatibele levensstijl belichamen, die doelwit van ergernis, afkeer en zelfs agressie worden. Zygmunt Bauman, die razend sensibele Pools-Britse socioloog, heeft het hier over wel over de “waste lives”, de verloren, verspilde levens, die toebehoren aan blanke, Europese burgers die niet hebben kunnen of willen volgen en die nu een kop van jut of een zondebok worden voor degenen die vaak al generaties lang hun medeburgers zijn maar die zich nu tegen hen keren. Maar natuurlijk zijn ook de etnische minderheden steeds een gretig aanvaarde, soms zelfs gekoesterde vijand van het systeem. Die vilein dubbelzinnige koestering heeft ermee te maken dat de agressie waarmee de minderheden bejegend worden de bedoeling heeft het zelfvertrouwen van het systeem te vergroten, en dat zelfvertrouwen blijkt het nodig te hebben, telkens opnieuw aangevuld te worden, op vele manieren, ondanks de kracht en de gezondheid en de superioriteit waarop het pocht. Dat is een sinister teken aan de wand.

Ergernis en agressie vallen ook ten deel – maar misschien geldt dit met name in West-Europa, al denk ik dat dit niet geval is –, met de vrijgevige medewerking van zowel de overheden als de bevolking, aan academici en meer in het algemeen creatieve mensen van wie demonstratief vastgesteld wordt dat zij op geen enkele manier direct bijdragen aan de instandhouding 8888van het geloof in het economische systeem, maar zich liever bezighouden met nutteloze, misschien ook wel bedreigende zaken als de verkenning van de natuur van de mens en de reflectie daarop. Universiteiten sluiten tientallen studierichtingen, vanzelfsprekend vooral op het terrein van de geesteswetenschappen, en gedwongen natuurlijk, maar verdraaid, ze werken eraan mee, mokkend, maar met het gedesoriënteerde managers-inzicht dat ook zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen, zo stoer en volwassen zijn ze wel. En het culturele leven, met inbegrip van die wereldvermaarde Nederlandse muzikale infrastructuur, wankelt onder de druk waaraan ze blootgesteld wordt in een situatie waarin het nog nauwelijks op bijstand en sympathie kan rekenen. Het lijkt aan de rand van een afgrond te staan, toegelachen en aangemoedigd door kunstbroeders die wel in de smaak van de miljoenen vallen of een vage of uitbundige nationalistische strekking hebben, en natuurlijk ook door degenen die de collaps aan het orkest8reren zijn. De aandachtige verkenning van het domein van de innerlijkheid, met onvoorspelbare resultaten tot gevolg, zoals het besef dat een ander leven ook mogelijk of zelfs beter is, die verkenning wordt sterk ontmoedigd of, als het even kan, op een niet opzichtige manier maar toch pertinent gesaboteerd.

Dat gebeurt in een omgeving waarin de ziel nog amper een rol heeft, niet op het podium genood wordt, en ook niet verdedigd wordt door degenen van wie je dat zou mogen verwachten. Neurowetenschappers, die in zekere zin de ziel bestuderen, lijken bereidwillig mee te werken aan de verbreiding van het idee dat de mens niet met iets als een individuele kern door het leven gaat maar het product is van materiële omstandigheden, en ze gaan daarbij zelfs zo ver dat ze de trofee van de menselijke zelfbeschikking, de vrije wil, voor een illusie verklaren, en die ziel, ook in de minimale gedaante van “bewustzijn”, als een bijverschijnsel daarvan herleiden tot de subtiel vertakte en verbonden materie van de hersenen en het ritme van hormonen. Natuurlijk, er zijn nog steeds mensen die het woord “ziel” in de mond nemen, maar zij zijn beland in de verdachte marge van de samenleving, en spreken daar over de ziel zo goed als uitsluitend in situaties waarin een individueel leven onder druk is komen te staan en zoekt naar een manier om zich van die druk te bevrijden of zich ertegen te harden. Psychologen, bekleders van een allengs verdacht beroep, heten nog steeds psychologen (maar voor hoe lang nog?), mensen die kennis over de ziel hebben, en ja hoor, er lopen ook mystieke en spirituele deskundigen rond – goeroes – die een geprivilegieerde toegang tot de vergeten ziel in het vooruitzicht stellen. Tegen betaling, in munt of in natura, als een zelfbevestiging van de verlosser die zij zijn. En daar word ik maar niet vrolijk van. Want de door hen gegidste terugkeer van de ziel is tegelijk een vervreemding van wat een ziel zou kunnen zijn, en vaak ook de usurpatie van een kwetsbaar individu.

Mooi dan. Of niet zo mooi natuurlijk. Maar in ieder geval tot zover mijn weerbarstige observaties – als ze dat zijn – van een aantal samenhangende maatschappelijke tendensen waarvan de huidige dominantie ten koste is gegaan van de waardering voor de natuur van de mens en voor de ziel. Lijkt mij. Een spijtig gebrek aan waardering.

III.
De ziel van Aristoteles (en de anderen)
Maar wat is de ziel dan en wat is het belang van de ziel, eventueel, voor de moderne conditie of voor de motieven in de moderne conditie die ik heb proberen aan te duiden? Die vraag kan misschien het best beantwoord worden door de aandacht voorlopig te verplaatsen naar een omgeving waarin de ziel, en dan eerder het bestaan van de ziel dan de precieze aard ervan, in zekere zin vanzelfsprekend en in ieder geval van kapitaal en vitaal belang was. Veel jaren van mijn leven heb gebogen over Griekse filosofische teksten doorgebracht, teksten die moeilijk te begrijpen zijn en woord voor woord ontcijferd moeten worden, en daarbij heb ik een voorkeur gehad voor teksten waarin het op de een of andere manier over de ziel gaat. Van die vertrouwdheid, die zich van kennis heeft uitgebreid tot een manier van kijken en denken, wil ik bij de volgende overwegingen gebruik maken. Voor de goede orde: ik ben me bewust van het gevaar dat het langzame lezen en herlezen van hermetische teksten over de ziel, een idee van de ziel kan inslijten dat in feite het resultaat is van het telkens en moeizaam gaan van de paden van anderen en niet een voorstelling van iets dat objectief bestaat. Wie het maar over eenhoorns blijft hebben kan op den duur gaan geloven dat eenhoorns werkelijk bestaan.

Van dat gevaar ben ik me bewust. Maar het lijkt me in dit geval niet reëel. Een van de dingen die opvallen als je Griekse filosofische teksten met zo open mogelijke ogen leest is dat het Griekse denken over de ziel, de Griekse omgang met de ziel, het Griekse gedrag gebaseerd op de ziel, niet een theoretisch verzinsel is, zeker niet in eerste instantie, maar een fenomenologische aard heeft. Ze gaan steeds uit van een aandachtige en subtiele introspectie van verschijnselen die met de ziel verband houden en in zekere zin identiek met haar zijn. En nee, wat we in ieder geval niet willen, en niet mogen, is de verschijnselen ontkennen, juist niet, zou ik zeggen, want ook als het zo is dat bij sommige verschijnselen die door introspectie toegankelijk zijn een maatschappelijke of culturele verwaarlozing ertoe kan leiden dat die verschijnselen niet bezocht worden, ze houden daarmee toch niet op verschijnselen te zijn. Een verwaarlozing die ingegeven wordt door ontvankelijkheid voor een bepaalde maatschappelijke wenselijkheid laat zich allicht relativeren of zelfs tegenspreken door een bestudering van hetzelfde verschijnsel in een andere omgeving, waar het natuurlijk en vanzelfsprekend blijkt te zijn.

Ik zal de moderne samenleving dus benaderen vanuit een fenomenologische houding tegenover de Griekse cultuur en de Griekse ziel, en dat houdt in dat ik haar niet zal lastig vallen met een theorie van de ziel die ik misschien in Griekenland heb aangetroffen. Er is ook niet zoiets als “de” Griekse theorie van de ziel. Natuurlijk, er bestaan theorieën over de ziel en er is over de ziel gespeculeerd, maar pas nadat het verschijnsel onderkend was, het verschijnsel waarvan die theorieën en gedachten een interpretatie bieden. Het is niet mijn bedoeling voor de moderne verwaarlozing van de ziel als alternatief (bijvoorbeeld) een theorie over de onsterfelijkheid van de ziel aan te reiken, zoals Plato die misschien verdedigd heeft (maar misschien ook niet), en ik ga ook geen gebruik maken van de Neoplatoonse overtuiging dat de ziel in ethisch en antropologisch opzicht superieur is aan het lichaam. Het zal niet gaan over zielsverhuizing. En ook het verhaal van Epicurus, die er genot in gevonden lijkt te hebben de ziel van haar ziel-zijn te ontdoen en tot materie te reduceren, blijft buiten beschouwing. Enzovoort. Het zijn gekleurde, door wens, persoonlijke behoefte en overdrijving ingegeven interpretaties van het verschijnsel van de ziel. En om dat verschijnsel, en de manier waarop dat geobserveerd en verwoord is, door Griekse filosofen, maar ook door literaire schrijvers, gaat het me wel. Bij mijn poging dat verschijnsel onder ogen te krijgen zal ik me verlaten op mijn betrouwbaarste fenomenologische gids, en dat is Aristoteles, de auteur van het eerste essay in de Westerse geschiedenis dat uitsluitend aan de ziel gewijd was, een in alle opzichten indrukwekkend en pionierend essay, waarnaar meestal verwezen wordt met de Latijnse titel De anima. Over de ziel dus.

1.
De eerste observatie is even onvermijdelijk als heilzaam, en heeft betrekking op de dimensie van de ziel, want die is op zichzelf immaterieel, of we dat nu anders wensen of niet, en heeft in ieder geval voor een deel de gestalte van weten of bewustzijn. Aristoteles definieerde de ziel als de entelechie of de verwerkelijking van het lichaam en verklaarde meer dan eens uitdrukkelijk dat de ziel als ze ooit van het lichaam gescheiden zou raken niet langer kan bestaan. Hij kan niet verdacht worden van blindheid voor het feit dat de ziel van het lichaam afhankelijk is. Toch onderstreept hij het niet-materiële karakter van de ziel. En dat klopt ook. Want op de momenten dat we iets weten, dat we iets plannen, dat we willen, denken, waarnemen, op de momenten dat we ons op de een of andere manier van iets bewust zijn, van wat dan ook, ervaren we onszelf als wezens die in dat opzicht niet materieel zijn. Bewustzijn is nu eenmaal iets anders dan materie of een eigenschap van materie – natuurlijk, tenzij we materie zelf als iets met bewustzijn zouden opvatten, maar die materie zou zelf een raadsel worden en niet langer het vanzelfsprekende waartoe dat wat niet begrepen wordt dan maar te herleiden zou zijn. Om deze reden is de telkens met overtuiging aangekondigde expeditie van nogal wat neurowetenschappers, dat ze op weg zijn om het raadsel van het bewustzijn voor ons op te lossen door te laten zien hoe het ergens in een donkere diepte dan toch materieel zal blijken te zijn, in feite bij voorbaat gedoemd te mislukken, hoe ze ook gesponsord en aangemoedigd wordt. Er kan voor het bewustzijn een materieel correlaat bestaan, dat is op veel punten ook in overeenstemming met wat we ervaren, en het is een mooi besef. Maar een correlaat is nog niet een zwart gat waarin iets anders door reductie zal verdwijnen. De manier waarop bewustzijn bestaat is een andere dan die waarop materie bestaat. Hun bestaanswijzen verschillen. Aristoteles was dom noch blind, en hetzelfde geldt voor Spinoza. Materiële verklaringen van kennis, zelfs van waarneming, lijken vatbaar voor het argument dat Aristoteles al formuleerde en dat er op neerkomt – bijvoorbeeld – dat de auditieve ervaring altijd een ziel nodig heeft als een interpreterende instantie. Als het ene object het andere raakt komt er lucht in beweging, de golven van die beweging bereiken de oren, zij kunnen daarin – zoals Aristoteles het beschrijft – het in de oren ingebouwde minibeetje lucht in beweging brengen, en het is goed mogelijk dat – en nu volg ik de route verder in de stijl waarin Aristoteles dat zelf gedaan zou kunnen hebben – door deze bewegende lucht de synapsen van de axonen en ook de elektrische potentialen en stroompjes in de hersenen in een bepaalde toestand gebracht worden. Het gaat vast en zeker nog verder. Maar er is dan nog steeds iets nodig dat deze stroompjes interpreteert en ze als een geluid ervaart. Er is niets op tegen om dat interpreterende iets “ziel” te noemen. Met materie alleen komen we er niet.

2.
Een tweede observatie, misschien minder dwingend en zeker tegenspraak uitlokkend, maar toch overtuigend en wezenlijk correct, richt zich op de verhouding van de ziel tot het lichaam. Aristoteles’ beschrijving van de ziel als de “entelechie” of de “verwerkelijking” van het lichaam is een bijzondere, radicale vorm van deze observatie, die er in wezen op neerkomt dat in het samengestelde geheel van ziel en lichaam het de ziel is die het primaat heeft en het lichaam gidst. Nee, nee, al Homerus besefte dat ons denken vaak afhankelijk is van de materiële constellatie van het lichaam en dat onze gedachten in nogal wat gevallen – de meer interessante gevallen ook nog – zelf komen en gaan, zonder dat de ziel ze dwingend oproept, vasthoudt of wegzendt: de ziel heeft niet het volledig gezag over het denken. Maar het feit dat ons denken gedomineerd lijkt te worden door onze materiële constitutie ervaren we vaak als onplezierig, soms zelfs als een pijnlijke inbreuk op de onafhankelijkheid van de ziel, en die ervaring heeft er alles mee te maken dat de ziel wel degelijk het gezag heeft, of zo ervaren wordt, en ook haar best doet om dat gezag te voeren. Drie kleine voorbeeldjes die het belang van deze observatie kunnen illustreren.

Ten eerste, ja, zelfs als het zo zou zijn dat gedachten (net als stemmingen en verlangens) zichzelf aandienen zonder dat ze daartoe uitgenodigd zijn, met als gevolg het onaangename gevoel dat we op dat moment vreemd zijn aan onszelf en beheerst worden door iets anders, dan is er nog altijd een factor die deze gedachten gadeslaat, nagaat, controleert, toelaat, weigert, en die in staat is zelf gedachtegangen te initiëren die ingaan tegen de gedachten die zichzelf gemeld hebben. En als stemmingen en verlangens vooral met het lichamelijke deel van het samengestelde geheel verbonden zou zijn (waaraan getwijfeld kan worden), dan is het nog altijd zo dat zij ook ziel worden en bovendien aan een hogere instantie onderworpen worden. De ziel heeft het vermogen invloeden die van het lichaam toe te laten of af te wijzen.

Het tweede voorbeeld, opnieuw gegeven in de stijl van Aristoteles. Dieren die met een groot gevaar geconfronteerd worden hebben geen reden daarvoor te vluchten zolang ze als bepaald door materie worden opgevat: materie is op zichzelf onverschillig en kent geen angst of verlangen of drift tot zelfbehoud. Er moet iets zijn dat het gevaar als gevaar herkent, dat besluit dat het gevaar een bedreiging is en dat het die bedreiging niet wil, en dat vervolgens de opdracht geeft aan het gevaar te ontsnappen en op de vlucht te slaan en zo de constitutie intact te houden. Iets dergelijks geldt ook voor het verlangen: er moet iets zijn, een factor, een instantie die tot herkenning en beslissingen in staat is, die een sein geeft achter iets aan te gaan. Noem die instantie “ziel”. Het is dan dus toch weer de ziel die het gezag over het lichaam voert, zelfs als sommige verlangens koppig op lichamelijke bevrediging uit lijkten te zijn en wij er iets mee te stellen hebben. Wij, die ook met de ziel verbonden zijn.

Op de derde plaats komt Aristoteles’ conclusie dat de lichamelijke component van het samengestelde geheel dat een dier is in feite een instrument voor de ziel is, wel degelijk overeen met onze ervaring dat we plannen maken, wensen en verlangens formuleren, en ons leven vorm geven door te beginnen met de ziel en het lichaam daarbij in te zetten. Eten, beminnen, werken lukt allemaal niet zonder het lichaam. Toegegeven. Maar het is de ziel die daardoor tevreden, misschien zelf wel een beetje gelukkig wordt: omdat ze het gewild of zelfs bedacht heeft.

3.
De ziel heeft op een fundamentele manier met het leven te maken. Aristoteles is niet de enige die erop gewezen heeft dat “bezield zijn” en “leven” in het Grieks in feite synoniemen zijn. Op dit linguïstische feit kan natuurlijk geen metafysische theorie gebouwd worden, maar het wijst wel op het aan de metafysica voor te leggen wezenlijke verschil tussen een levend lichaam en een lichaam met precies dezelfde samenstelling dat niet leeft. Natuurlijk is het lastig, of zelfs onmogelijk, om ons bij deze lichamen een werkelijk identieke samenstelling voor te stellen. Dat is zo, maar het tast het besef dat een levend lichaam iets bezit dat zelf niet materieel is niet aan. Iets: namelijk leven, en een beginsel dat met dit leven samenhangt en er verantwoordelijk voor is. Aristoteles extrapoleert deze redenering op een in mijn ogen zinnige manier. Want het beginsel van het leven is in zijn ogen, net als in de mijne, niet vormloos, zeg een beginsel dat een samengesteld geheel levend maakt door het als een bougie te ontsteken – vlammetje erin, en dan wegwezen, het gaat nu wel zijn eigen gang. Integendeel. Want Aristoteles beschrijft de ziel als de “vorm” van het lichaam, en als de “entelechie” of “verwerkelijking” ervan, en daarmee doet hij recht aan de ervaring van de ziel als een beginsel van een samenhangend leven dat zichzelf ontwikkelt, zijn vermogens ontvouwt en ook groeit naar een piek waarop alles bloeit. En aan de ervaring van de ziel als een beginsel dat het lichaam een samenhangend organisme maakt waarvan de delen op zo’n manier met elkaar samenwerken dat het voor de ziel mogelijk wordt haar doel te bereiken. De ziel die het beginsel van het leven is oefent op het lichaam een zekere greep uit – een stevige greep, soms zelfs een klemmende, maar zeker geen absolute – waarvan ze kan genieten wanneer op de hoge, bloeiende, glanzende momenten van het leven haar doel en heilzaamheid zichtbaar worden. Maar ze verliest die greep ook weer wanneer in de loop van tijd het materiële lichaam waarover zij het gezag heeft in het voortdurende proces van regeneratie onvolmaaktheden gaat vertonen, aan elasticiteit inboet, minder flexibel wordt, niet meer herstelt en zo uiteindelijk niet langer gehoor kan geven aan de opdrachten van de ziel. Zo ervaren we het.

4.
Een vierde observatie over de aard van de ziel lijken de Griekse filosofen, schrijvers en het brede publiek me elkaar gedeeld te hebben. Ze is samen te vatten als het besef dat de ziel een innerlijke ruimte is waarin de werkelijkheid ervaren en geïnterpreteerd wordt en die de voorwaarde voor communicatie is. Een innerlijke ruimte die voor een deel nog gestalte moet krijgen en expliciet gemaakt moet worden zodat ze open en veelzijdig kan zijn. Twee fundamentele kanttekeningen daarbij.

Eén: Het is opnieuw Aristoteles die de ziel op een heel herkenbare manier beschrijft als iets dat in zekere zin alle zijnden is: “in zekere zin” wil hier zeggen “in mogelijkheid”. En wat in de logica van Aristoteles “in mogelijkheid” is, is nog niet verwerkelijkt, maar moet wel verwerkelijkt worden. De eerste implicatie van deze vaststelling is een feit dat eenmaal opgemerkt niet meer in twijfel getrokken kan worden: als we waarnemen en denken nemen we niet de werkelijkheid zelf waar en we denken haar ook niet zoals zij is (of misschien wel: maar dat kunnen we nooit weten). Het is een spiegelbeeld van de werkelijkheid dat in onze ziel verschijnt. En dat als de ziel bestaat. Als een ziel die we weer wel met anderen lijken te delen. De waarneming van rood is altijd – er valt niet aan te ontsnappen – onze waarneming van rood, en het is principieel onmogelijk om er achter te komen hoe dat rood in de werkelijkheid buiten ons bestaat. En als we denken, bedienen we ons van mentale voorstellingen en begrippen die voor een groot deel bepaald worden door onze confrontatie met de werkelijkheid, maar die ook dan nog altijd onze begrippen blijven en structuren in de werkelijkheid beschrijven op een manier die voor ons zinvol is.

Twee: De observatie dat de ziel een innerlijke ruimte is benut Aristoteles als een uitgangspunt voor een andere, misschien interessantere observatie, die onder andere van belang is in de sociale context van steden en mensen. Het idee is dat alle zijnden die de ziel in mogelijkheid zijn daar ook gedefinieerd en tot werkelijk leven gebracht moeten worden, zodat er een structuur ontstaat die makkelijk toegankelijk is voor het geheugen en waarop de ziel altijd een beroep kan doen als ze dat nodig vindt, nodig namelijk om de werkelijkheid te begrijpen, met inbegrip van de aard van de mens, die we vaak als vreemd en onbegrijpelijk ervaren en die in andere gevallen misschien wel vertrouwder voelt maar dan nog altijd ver en vreemd aan ons eigen gedrag en aan onze eigen aard blijft. Door de ziel tot ontwikkeling te brengen creëren we ook een innerlijke ruimte die het ons mogelijk maakt anderen te begrijpen en tegelijk, als het goed is, onze eigen oriëntatie te herkennen en daarop te koersen. Die innerlijke ruimte laat zich bijvoorbeeld ontwikkelen door muzikale training, door het oefenen in ethiek en retoriek, en ook door de lessen die de literatuur, en dan vooral de tragedie – het onderwerp van Aristoteles’ Poëtica – ons leert. Mensen raken in de ban van emoties en gedachten die ze perfect begrijpen maar waardoor ze toch op zo’n absolute manier geregeerd worden dat ze niet meer in staat zijn ze te relativeren en in te zien zij zelf door hun emoties verblind, of eenzijdig ziend, geworden zijn. Haemon roept in Sophocles’ Antigone zijn vader, die in een door macht en vreemde zelfopoffering ingegeven illusie gevangen is, op ook het denken van de anderen te denken. Als hij dat niet doet zal straks zijn leegheid blijken. Openheid en empathie waren vaak Griekse waarden. Het idee van de ziel als een innerlijke ruimte die het domein opent waarin anderen emotioneel en intellectueel begrepen kunnen worden, en waarin we ook zelf toegang krijgen tot onze eigen veelzinnigheid en daardoor een goede richting kunnen gaan, is vermoedelijk de diepste betekenis van de innerlijke ruimte die de ziel in de Griekse ervaring is.

5.
Voor de vijfde observatie schuif ik een beetje op in de tijd, van Aristoteles, die het verschijnsel wel degelijk kende, naar de Neoplatoonse filosofen, die er ronduit door gefascineerd waren en het op hun eigen, erg metafysische manier interpreteerden. De ziel wordt ervaren als iets dat ook in de hoogste mate individueel is en een “ik” herbergt, of liever verschillende “ikken”, die verwant maar ook onderscheiden zijn. Er zijn twee aspecten van de individuele ziel die me hier aangaan, en die ook door de Neoplatonisten gehonoreerd zijn.

Op de eerste plaats is er de ervaring dat de ziel de veranderlijke ontvouwing in de tijd is van iets dat zelf onveranderlijk is en soms ook als niet-tijdelijk en zelfs eeuwig beschouwd wordt. De ziel is – opnieuw – een ruimte, nu een waarin we de pogingen ervaren – maar pogingen van wie of wat precies? – om in de dynamische logica van een leven iets te ontvouwen dat op zichzelf wacht zonder dat het verandert, en wel met – metaforisch gezegd – een gezichtloze, nogal ernstige uitdrukking. Het laat zich niet verwaarlozen, het regisseert al onze pogingen en is aanwezig bij alles wat we doen. Natuurlijk zijn er ook de algemene patronen van het leven en van het gedrag in een bepaalde omgeving, maar die zijn de voorwaarden voor de individuele ontvouwing van het onveranderlijke, in het veranderlijke bewustzijn dat de ziel is en de sporen van het verleden bewaart, het heden kent – blij of met spijt – en de toekomst aanvoelt en anticipeert. De ziel is een hoogst individuele uitdrukking van een hoogst individuele kern.

Het tweede aspect van de Neoplatoonse uitleg van de ziel is verwant met het eerste maar toch niet identiek daarmee. Want als de ziel de ontvouwing is van een onveranderlijke kern wil dat niet zeggen dat die ontvouwing ook succesvol of in zichzelf noodzakelijk is. Want van die ontvouwing gaven de Neoplatonisten aan de kant grif toe dat ze een poging is waarmee we onszelf verbinden en engageren, omdat we ons er verantwoordelijk voor voelen, terwijl we aan de andere kant tijdens dat proces ook op afstand van die kern blijven. De ziel die in de tijd bestaat draagt de ambiguïteit van een poging die er maar een is binnen een spectrum van duizend mogelijkheden, ze is een onvolmaakte poging waarin we onszelf als de ziel die we geworden zijn tot onze oorsprong wenden. De Neoplatoonse ethiek en antropologie gaan uit van die onvolmaaktheid en gunnen de ziel daarom een nieuwe kans, een nieuw leven in een nieuw lichaam, om het nog eens te proberen. Dit is een (misschien wat overspannen) theoretisch antwoord op een ervaring en een inzicht die volgens mij wel degelijk algemeen en niet verdacht zijn, namelijk dat we onszelf associëren met een ziel die de onvolmaakte uitdrukking is van dat wat we hadden moeten zijn. De vraag of we hoe dan ook op enig moment kunnen zijn wat we hadden moeten laat ik maar liever ongesteld, hier, op dit moment.

IV.
De moeizame terugkeer
Terug naar de moderne tijd nu, gesteld tenminste dat het zo is dat deze omweg langs de Griekse fenomenologie van de ziel als een omweg naar het verleden en weg van de moderniteit opgevat moet worden, en eigenlijk denk ik dat dit niet het geval is. Het beeld van de ziel waarvoor tijdens deze omweg materiaal verzameld werd lijkt niet gedefinieerd door eigenschappen die karakteristiek voor de Griekse cultuur zijn of die behoren tot een bijzondere Griekse theorie over de ziel. Natuurlijk is het zo dat in bepaalde perioden en bepaalde omstandigheden makkelijker is het verschijnsel van de ziel ongehinderd te observeren, zodat het verschijnsel zelf soms ook prominenter aanwezig is en we ons er intenser van bewust zijn. Maar dat wil nog niet zeggen het verschijnsel als zodanig bij een bepaalde cultuur hoort en daarvan afhankelijk is. Het lukt mij – en ik sta daarin niet alleen – op deze afstand in tijd, in plaats en in cultuur de eigenschappen van de Griekse zielen die in de beschrijving van het verschijnsel geprononceerd voorkomen en die soms ook tot een theorie over de ziel geleid hebben, moeiteloos te herkennen, zonder daarbij in het minst beducht te zijn toe te geven aan een mimetische verleiding en ongemerkt de auteurs van de teksten die ik gelezen heb te zijn gaan napraten. Het is eerder omgekeerd. Aan het verschijnsel van de ziel zoals dat in Griekenland wordt aangetroffen heb ik bevestiging en misschien ook wel enkele aanwijzingen ontleend voor de toegang tot het verschijnsel waarmee ik zelf al vertrouwd was. Wat ik bedoel te zeggen is dat ik niet het gevoel heb daar in Griekenland met een literair beeld van de ziel te maken te hebben, maar met een verschijnsel dat bij de menselijke natuur hoort, en dat tenminste die mede uitmaakt en misschien de essentie ervan is.

Het kan een beetje mooier, een beetje wervender gezegd. De ziel blijkt iets met een heel eigen, niet herleidbaar, niet-materieel karakter: dat is de dimensie van haar bestaan, ook als de ziel tegelijk nauw met materie verbonden is; hoe dat precies zit is een grote vraag die hier niet anders beantwoord kan worden dan met “als een wisselwerking”: ziel beïnvloedt materie, materie reikt toestanden aan de ziel aan. De ziel heeft ook in ruimere zin het vermogen op de materie van het lichaam waarbij ze hoort te werken en invloed uit te oefenen en er zelfs greep op te krijgen. De ziel is verder verantwoordelijk voor het leven, dat wil zeggen zowel voor het feit dat iets leeft als voor de samenhang en de structuur van dat leven. Dit leven heeft bovendien een hoogst individuele aard; er is ergens een onveranderlijke oorsprong, eigen aan een bepaald individu, die uitgedrukt moet worden als hij in de tijd ontvouwd wordt op een manier waarmee we ons associëren en zelfs identificeren; die ontvouwing is innig verbonden met de ziel, of is misschien ook wel die ziel. En tenslotte herbergt de ziel een innerlijke ruimte die alle zijnden is, in mogelijkheid dan wel, en die mogelijkheid kan tot werkelijkheid omgevormd worden dankzij ervaring en dankzij opvoeding, zodat de innerlijke ruimte de toegang wordt bij het begrijpen van de werkelijkheid, het herkennen van emoties en andere aspecten van menselijk gedrag, en tegelijk een basis wordt voor empathie, openheid, bezinning van iemand op zichzelf en op anderen, dat wil zeggen een basis voor wat tegelijkertijd, zo geheimzinnig, vreemd en zo vertrouwd is.

Als we ervan uitgaan dat deze eigenschappen, of enkele ervan, werkelijk de essentie van de ziel raken, deels of geheel, en dus ook betrekking hebben op de aard van de mens, met zijn drang zichzelf te ontvouwen en een verlangen naar communicatie, wat voor lessen kunnen er dan getrokken worden uit de confrontatie van dit perspectief op de aard van de mens, met de moderne tijd die niet erg in de ziel en in de aard van de mens geïnteresseerd is en zich daar ook niet opzichtig ongemakkelijk over voelt, maar liever steunt op een logica waardoor mensen op de eerste plaats behandeld worden als elementen die bruikbaar moeten zijn in een economisch systeem en waardoor de menselijke individualiteit aangepast en vervormd moet worden zodat ze in dat systeem past, en waardoor bovendien openheid en communicatie alleen van belang geacht worden omwille van een instrumentele rol binnen het systeem?

Het antwoord lijkt voor de hand te liggen, maar doet dat toch niet. Het heeft hinder van een vraag die gesteld moet worden en waarop het antwoord niet zo simpel is. Want wat voor waarde hebben het inzicht in de aard van de mens en ook die aard van de mens zelf in de historische ontwikkeling van de mensheid? Denk aan de culturele logica die de mens lang als een meer of minder gewillig slachtoffer van zijn vlees beschouwd heeft, en dus als een zondaar door geboorte, en dus als een wezen dat dankzij zijn aard al tot het kwaad geneigd is: die logica is uiteindelijk volgens een ingewikkelde kronkel uitgekomen bij de paradoxale ethiek die erin bestaat dat het de aard van de mens is zijn aard te moeten ontkennen en te overwinnen. In dezelfde zin, zo zou geopperd kunnen worden, leggen de ziel en de opvatting van de aard van de mens die daarmee samenhangt, al hebben ze betrekking op een verschijnsel waaraan geen ontkennen helpt – het verschijnt, het is er – een aspect van de mens bloot dat juist niet bewaard moet blijven. Weg met de ziel dus. Het is een hardnekkige, niet zo makkelijk te weerleggen redenering dat de ziel, met die inherente drang het individu te ontvouwen en met haar behoefte aan communicatie en openheid en een daaraan gelieerde ethiek, overwonnen en achtergelaten moet worden ten gunste van de mogelijkheid de mens ongestoord af te stemmen op de uitwendige logica van het maatschappelijke en economische systeem, want aan die logica kunnen we – wij allemaal – een identiteit danken die we bij elkaar herkennen, die ons in de ogen van de anderen daardoor ook betrouwbaar en een van hen maakt. En in de ogen van onszelf. Dat is een koppige redenering die misschien wel klopt. Zegt hier de advocaat van de duivel.

Die toch niet helemaal overtuigd is. Om te beginnen weet ik niet zeker of we wel in gelukkige tijden leven. En de aanwezigheid van geluk, of de aankondiging daarvan, moet een indicatie zijn voor de heilzaamheid van een antropologie en de maatschappelijke logica die in een bepaalde tijd heerst. Toegegeven, dit is vast en zeker de periode in de geschiedenis waarin mensen meer dan ooit lachend afgebeeld worden (nee: de wijdverbreide archaïsche Griekse glimlach is er een die geheim en innerlijkheid uitdrukt en niet zelfgenoegzaamheid). Het duurt niet lang meer of er zullen voor een schappelijk prijsje camera’s verkrijgbaar zijn die uitgerust zijn om glimlachende mensen te herkennen en die een standaardinstelling hebben om foto’s van mensen die niet gelukkig lijken automatisch te wissen. Nee, dit is geen grap, en geen overdrijving: zulke camera’s bestaan al. We doen inderdaad ons best om gelukkig te zijn. Of om er gelukkig uit te zien, en vervolgens te geloven dat we het zijn. En misschien zijn we het daardoor ook wel. En toch, het voelt niet zo. Talrijke aanwijzingen suggereren dat er wel degelijk iets niet klopt of dat er in ieder geval iets niet goed werkt. Dit is natuurlijk niet de gelegenheid om die paar klinische observaties over de moderne conditie uit te werken tot een meer omvattende diagnose, of eventueel zelfs tot een prognose. Ik zou niet durven. Maar het is wel doenlijk om enkele aspecten van die moderne conditie te confronteren met hun in mijn ogen onaangename en problematische eigenschappen en consequenties, en te laten zien hoe hier de verwaarlozing van de ziel een schuldige is. Een van de schuldigen. Maar toch.

Ten eerste heeft de verwaarlozing van het individuele haar grimmige kanten. Als we beseffen dat mensen zielen zijn, dat zielen een eigen aard en een individueel karakter bezitten, en dat een ziel een poging is (of omvat) om iets dat zelf onveranderlijk is tot uitdrukking te brengen, en ook dat mensen liefst benaderd en gewaardeerd worden omwille van de manier waarop ze die uitdrukking zijn en daar verantwoordelijk voor zijn, dan weten we ook waarop we ons in de omgang met anderen kunnen richten, we weten wat we kunnen liefhebben of haten, of als dat niet lukt, wat we kunnen respecteren. Illustratief is de problematische situatie van de liefde in de moderne samenleving, die sferen kent waarin relaties vervangbaar lijken als autoonderdelen of als computers die erop ontworpen worden dat ze na een vastgesteld uren kapot gaan. We worden zelfs aangespoord – en daarbij gemonitord – niet te lang te treuren om het verlies van een dierbare, met het perverse perspectief dat rouw die langer dan een jaar duurt door de nieuwe editie van de in de kringen van medisch psychologen en verzekeraars gezaghebbende DSM niet meer als gewoon en tolerabel gedrag maar als een ziekte wordt benoemd. En daarvoor bestaan pillen, geen gesprek, maar dure, efficiënte, uit een machine geperste en zeker niet in het levensverhaal geïnteresseerde pillen. We worden liefst omringd door mensen die we begrijpen, en die ons begrijpen, en op wie we invloed kunnen uitoefenen. Of niet soms? Een algemener symptoom van de verwaarlozing van het individu en de dwang mensen te integreren in een regio van het economische systeem waarin ze door hun aard niet goed passen of waarin die aard er in het geheel niet meer toe doet, is de grote schaal waarom mensen vechten met stress, burn-out, moedeloosheid, maar ook verstrikt raken in agressie, smeulende ongenoegens en andere protestgedragingen, die meer en meer de kop opsteken, niet alleen bij degenen met de “waste lives”, de verspilde levens die thuis zijn en niet thuis zijn in de voorsteden, maar ook in de veel wijder verbreide en aanvaarde gedaante van xenofobie en een afkeer van onafhankelijk gedrag dat opgevat wordt als een afwijzing van de lelijke, tegennatuurlijke situatie waarin die anderen wel willen wonen.

Op de tweede plaats lijken de afwezigheid van een begrip van de ziel en de bijna officieel verklaarde ongeldigheid van het begrip van een zelf keurig samen te gaan met een identiteitscrisis die zowel het individu als de samenleving als geheel treft en waarvoor we misschien maar beter de ogen niet sluiten. Een ziel die het model voor zelfreflectie is, suggereert dat de erkenning en bevestiging waarnaar alle mensen lijken te verlangen en te zoeken, te vinden is in de verhouding van de ziel als de ontvouwing tot het onveranderlijke individuele karakter dat zich in of als de ziel ontvouwt. De overeenstemming tussen beide, tussen het onveranderlijke en de ontvouwing, en dus ook het vooruitzicht dat de toekomst en de verdere ontvouwing op een of andere manier in harmonie kunnen blijven met individuele karakter, geeft ons vanuit de diepte van de ziel de erkenning en de geruststelling voor wat we gedaan hebben, voor wat we aan het doen zijn en voor wie we zijn. Het zou zo kunnen zijn dat we aangespoeld zijn op het kale strand van een tijd waarin deze bevestiging afgesneden is van haar betrouwbare, krachtige innerlijke bron en veruitwendigd is (om een lelijk woord te gebruiken), met het gevolg dat elk antwoord en elke bemoediging alleen maar heel even effectief zullen blijven en dan vervangen moeten worden door andere, en door andere, en door andere. We zijn niet langer op zoek naar een fundamentele erkenning in onszelf maar naar een bevestiging in een sociale omgeving, en die bevestiging kan, omdat ze om de ziel heenloopt, alleen gebaseerd zijn op uitwendige factoren. De sociale media, zoals deze wanhopige pogingen genoemd worden, richten zich op de buitenkant, op een houding, een specifiek gedrag, een gedachte die prijsgegeven wordt om goedgekeurd te worden, en die, verdraaid, ook goedgekeurd wordt. We krijgen wat we willen maar niet wat we nodig hebben. Want dat is de bevestiging van en de waardering, niet van de aanpassingsbereidheid waarmee we onszelf blijven verloochenen, maar van het individuele dat we nu eenmaal zijn en waarmee we in het leven op pad gaan. In feite zoeken we nu ons binnenste buiten ons, en worden in die onmogelijke beweging dat waarvan we denken dat anderen het al dan niet zullen waarderen. We laten onszelf in de steek.

Meer in het algemeen blijkt dit gebrek aan bevestiging en massief houvast te leiden tot een angst ons werkelijk met anderen te confronteren. Als we niet weten of we op het juiste spoor zitten en het criterium om dat vast te stellen verwaarlozen en verspelen, dan is het ook maar beter om niet werkelijk te kijken naar de manier waarop anderen hun leven leiden, want er bestaat het risico dat hun leven en hun verhouding tot hun leven ons niet alleen verleidt en waardering ontlokt, maar ook ons eigen leven relativeert en onszelf hard met onze desoriëntatie, of niet-oriëntatie, confronteert. Juist als we niet preken zijn we vaak elkaars geweten. En dus is het veiliger openheid als een bedreiging te vermijden, de innerlijke ruimte die de ziel is af te sluiten voor bijna alles dat ons aan het wankelen kan brengen, werkelijke communicatie stop te zetten, en in plaats daarvan oneindig te pogen om de anderen tot ons evenbeeld te maken. We proberen ze te overtuigen, we laten zien hoe het moet, omdat wij het zo hebben willen, afgesloten, verstikt zonder naar adem te happen, en we zullen ze verbannen als het allemaal niet blijkt te werken, we zullen hun ziel verwarren (de ziel die ze niet hebben), of anders onrust stichten in hun landen. En als ze zich dan nog niet overgeven aan de zielloosheid, als ze nog niet bereid zijn zichzelf te veranderen of elkaar onderling te vernietigen, goed, zelf weten hoor, dan doen wij het voor hen, in naam van een hoger ideaal – het woord doet er niet toe, het varieert en heeft toch geen betekenis – en in naam van hun eigen heil. Maar in werkelijkheid creëren we een uniformiteit waarvan we denken dat we die wel begrijpen en dat die ons niet bedreigt en aantast. We blazen uit de werkelijkheid al die dingen weg, mens of anderszins, die dat kleine verwaarloosde ding van ons zouden kunnen prikkelen, vitaliseren, oprichten, onze ziel.

Ben Schomakers


Onlangs verscheen bij Uitgeverij Klement ook de vertaling van een tragedie van Sophocles, Oudipus heerst, eveneens vertaald door Ben Schomakers. Bekijk hier het hele oeuvre van Ben Schomakers bij Uitgeverij Klement.

1 REACTIE

  1. Ik ben bezig met een boek over evolutie in brede zin, dus niet alleen biologische evolutie, maar ook culturele. Taal, religie. Was vanavond aan het denken over:
    “Theorieën van de ziel.
    Waar in de ontwikkeling van het leven ontstond de ziel? Bestaat de ziel wel of is het een verzinsel van het menselijke denken? Ergens tussen de elementaire deeltjes en de meest gecompliceerde levensvormen. Eerst de materie, later de bezieling. Of was de ziel al opgesloten in de knop?

    Was de ziel juist het allereerste begin, dat de ontplooiing mogelijk maakte en in elk nieuw element een sprankje van zichzelf aanbracht?
    Alles is bezield en zingt.
    De wind in de wilgen
    de vonken van het vuur dat oplaait in de wind

    Ook kan de ziel een parallel verschijnsel zijn, onafhankelijk van de materie, maar in het groeiende leven steeds meer tot uiting komend.

    De grote ziel, altijd bestaand en onveranderlijk, alomvattend, meer en meer vervlochten met leven.
    Ziel en materie groeien samen vloeien samen

    Wat maken mensen alles toch moeilijk
    Dans, liefste, dans
    Dans het leven en de lucht
    dans het water
    dans het vuur
    vluchtige voeten van de vloer”

    Dit had ik opgeschreven en toen zocht ik op internet onder theorieën van de ziel. Kwam op deze site terecht. Ga het morgen allemaal nog eens goed lezen.
    Bedankt in ieder geval.
    Agaath

LAAT EEN REACTIE ACHTER