Aristoteles kijkt ‘The Killing’

1
1

Filosofen zijn er niet alleen om ons gedachten aan te reiken, schrijft Ger Groot. Ze zijn geen leermeesters maar plaaggeesten en provocateurs. ‘Filosofen zijn er misschien nog wel méér om ons uit evenwicht te brengen en op het verkeerde been te zetten.’

Plato wist niets van Photo­shop. Noch van de iPhone, Skype, Instagram of de TomTom. De grammofoon van Edison lag nog twee, de bril één millennium in het verschiet. Hij beschouwde slavernij als een gewone zaak en vrouwen als wezens die niet echt konden denken. Aan democratie had hij een broertje dood; vreemde volkeren waren ook voor hem ‘barbaren’. Wat zou zo’n man die vierentwintig eeuwen geleden leefde ons nu nog te vertellen kunnen hebben?

Wat voor Plato gold, geldt voor het merendeel van de filosofen wier namen ons nu spontaan te binnen schieten. Rousseau kende de verbrandingsmotor niet, en hij zou over het ‘onnatuurlijke’ daarvan ontzet geweest zijn. Aristoteles had nog geen idee van telex of fax, inmiddels alweer bijna vergeten communicatiemiddelen. Ik vraag me af of Jean-Paul Sartre ooit geweten heeft wat een Tefal-pan is – en dan zitten we al midden in de twintigste eeuw. Nietzsche kwam juist op tijd om te kunnen experimenteren met het eerste model typmachine; voor de telefoon was het nog nét te vroeg.

Een wereld zonder al die dingen is voor ons bijna ondenkbaar geworden. Toch vond ook ik, toen ik na mijn doctoraalexamen filosofie begon te doceren, maar één apparaat op het bureau in mijn universitaire werkkamer: de telefoon die Nietzsche net had gemist. Wilde ik collegedictaten of artikelen op papier zetten, dan moest er een late nazaat van diens primitieve schrijfmachine aan te pas komen, met een mechanische aanslag waar je sterke spieren in de vingers voor nodig had. Mobiele telefonie was iets voor politieauto’s en het loodswezen buitengaats.

Wilders vs. Cohen

Zo heb ook ik af en toe mijn Plato-momenten. Waarschijnlijk kent iedereen wel de onthutsende ervaring oog in oog te staan met een tegenstander die naar alle rationele maatstaven geen gelijk heeft, maar van de omstanders toch gelijk krijgt. In de Tweede Kamer overkwam dat Job Cohen nogal eens in zijn aanvaringen met Geert Wilders. Cohen was de redelijkheid zelve, maar Wilders kreeg de lachers op zijn hand en won maar al te vaak de schermutseling.

Waarschijnlijk heeft ook Plato in het woelige Athene van de vierde, vijfde eeuw voor Christus nogal eens met de mond vol tanden gestaan. De tijden waren ernaar. De samenleving veranderde al even snel als ze nu doet, de bloeiende stadstaat trok een menigte ‘gastarbeiders’ aan, oorlogen stonden garant voor permanente buitenlandse dreiging. Dat alles vormde een ideale voedingsbodem voor populisten en praatjesmakers, strebers die uit waren op geld en macht. ‘Sofisten’ werden zij genoemd: linke jongens die niet erg maalden om waarheid, maar des te meer om woorden die effect sorteerden.

Ook Plato bleef niet voor wantrouwen gespaard. ‘Deed hij eigenlijk wel iets anders dan de sofisten die hij wilde verslaan?’ vroeg Friedrich Nietzsche zich af

Dat is althans het beeld dat ons van de sofisten is overgeleverd. Plato is daar in belangrijke mate verantwoordelijk voor. Want hijzelf, zo hield hij zijn gehoor voor, was niet zoals zij. Hem ging het niet om winst of eigenbelang, maar uitsluitend om wat waar was en uittorende boven alle gekrakeel. Waarheid is eeuwig en wij, eindige mensen, kunnen ons daaraan alleen maar ondergeschikt maken.

Zo won Plato alsnog het pleit – en neem ik hem, wanneer de discussie nijpend wordt, gretig als voorbeeld. Want wie zwicht er niet voor het absolute van de eeuwigheid? Daar hebben we de wetenschap aan te danken die objectief de samenhang van de werkelijkheid doorzoekt, en ons geloof in een rechtvaardigheid die niet afhankelijk is van manipulatie of gladde praatjes. Plato, zo menen bijna alle filosofen, legde de grondslag voor de wijsbegeerte in al haar aspecten en alles wat zich daarvan later heeft afgesplitst. Al discussiërend treed ik graag in hun voetsporen.

Maar ook Plato bleef niet voor wantrouwen gespaard. ‘Deed hij eigenlijk wel iets anders dan de sofisten die hij wilde verslaan?’ vroeg ruim tweeduizend jaar later Friedrich Nietzsche zich af. Was zijn beroep op de waarheid zélf wel zo waarachtig? Of was het misschien een sublieme truc waarmee hij in één klap de omstanders uit zijn tijd – en alle latere tijden – aan zijn kant kreeg?

Lees het volledige artikel op de website van Vrij Nederland.

1 REACTIE

  1. De problemen en uitdagingen blijven ongeacht de tijd inderdaad onveranderd. De gelijkenissen achter de schermen zijn groter dan we vermoeden, ik sluit me helemaal bij Ger Groot aan. De vormen wijzigen, de verwondering blijft. Mij bekruipt daarnaast soms de angst dat we door onze gezapigheid ons denken niet altijd evengoed prikkelen dan bijvoorbeeld in de tijd van Plato. Maar ook dat is “achteruit” interpreteren. Hoe dan ook, voor het vinden van de sofisten in de huidige samenleving heeft de goede kijker geen vergrootglas nodig. Aan de strik om het verhaal wordt vaak meer waarde toegekend dan aan het verhaal zelf.
    Over de typemachine van een van mijn grootste “plaaggeesten” een klein betoog in een andere context:

    http://friedrichnietzsche.nu/2014/01/21/screenwashing/

LAAT EEN REACTIE ACHTER