Filosofie

Dankbaar?

“Iets stemt ons dankbaar, maar zodra we onze ervaring als ‘dankbaarheid’ verwoorden schrikken we terug.” Aldus Paul van Tongeren in zijn essay over dankbaarheid, gepubliceerd in Trouw. Filoblog kreeg toestemming om dit essay over te nemen.

Niet zo lang geleden gaf Erik Scherder, hoogleraar klinische neuropsychologie, tv-colleges over het brein. Matthijs van Nieuwkerk vroeg hem waarom hij daar zo door gefascineerd was. Zijn antwoord: “Op de eerste plaats om te laten zien hoe schitterend dat brein in elkaar zit, dat we er dankbaar voor mogen zijn dat we…” Dan hapert de doorgaans vlot sprekende geleerde even, herstelt zich snel en vervolgt: “dankbaar is een beetje een raar woord, maar dat het prachtig is hoe het werkt.”

In het programma ‘Zomergasten’ sloot de psychiater Damiaan Denys zijn avond af met een opname van Leonard Cohen. De zanger had in Spanje een belangrijke cul­turele prijs ontvangen en legde met een aangrijpend verhaal uit waarom hij de Span­jaarden zo dankbaar was.

Denys becommentarieerde vervolgens die dankbaarheid. Hij zegt dat ook zijn leven ten diepste gemotiveerd wordt door zo’n ‘fundamentele dankbaarheid’. Twee keer voegt hij daarbij een tussenzinnetje in, waarin opnieuw een soort verlegenheid door­klinkt: ‘dat klinkt misschien gek’ en even later: ‘hoe raar het ook klinkt, toch is er die dankbaarheid’.

 

Het gaat mij om die verlegenheid. Ik vermoed dat die te maken heeft met een ontwik­ke­ling die je terugziet in de geschiedenis van het geboortekaartje. Op het kaartje dat mijn ouders lieten maken bij mijn geboorte staat: “Met grote dankbaarheid ontvingen wij van God een zoon en broertje.” Toen ik zelf vader werd, schreven we op het be­richt dat we rondstuurden: “Vol verwondering en blij, melden we de geboorte van on­ze dochter.” Het eerste kind van de volgende generatie in de familie werd aange­kon­digd met een kaartje waarop stond: ‘Geboren’ en vervolgens werden, behalve de naam, nog het precieze tijdstip van de geboorte, het geboortegewicht en de lengte van de boreling vermeld.

Een tijd lang muntten geboortekaartjes uit door deze soberheid, bijna alsof het de beursberichten betrof. Die soberheid werd dan overigens vaak gecontrasteerd door uit­bundig kraamvertoon op Facebook en in en rond het huis: ooievaars in de tuin en slingers met babykleertjes voor de ramen.

 

Ik vermoed dat het in alle gevallen om hetzelfde gaat: iets stemt ons dankbaar, maar zodra we onze ervaring als ‘dankbaarheid’ verwoorden, of op het moment dat we ons dat gevoel realiseren, schrikken we terug: ‘– het klinkt misschien gek –’, ‘dankbaar is een beetje een raar woord’. Want hoezo zouden we dankbaar kunnen zijn? Wie zou­den we dankbaar moeten zijn? Dankbaar ben je immers jegens iemand van wie je iets gekregen hebt? Maar hebben we ons brein, ons leven van iemand gekregen? We spre­ken weliswaar nog van ‘een kind krijgen’, maar we weten natuurlijk hoe kinderen ver­wekt en geboren worden.

Dat wisten mijn ouders natuurlijk ook. Maar zij geloofden als vanzelfsprekend in een persoonlijke God, die het hun mogelijk maakte dankbaar te zijn voor wat zij zelf deden en voor wat hen overkwam, zonder dat ze erbij moesten denken dat het ‘mis­schien gek klonk’.

 

Wat is hier met ons gebeurd, of beter: aan het gebeuren? We zitten er immers nog midden in. Vorig jaar nog verbood Wageningen Universiteit aan een promovendus om zijn dank aan God te vermelden in het voorwoord bij zijn proefschrift. Na pro­testen van allerlei kanten (‘waarom zouden geliefden en huisdieren wel bedankt mo­gen worden maar God niet?’) werd het verbod ingetrokken, zij het dat volgens de woordvoerder God alleen bedankt mocht worden voor zijn hulp bij het proefschrift, ‘niet voor de hele schepping of zo’. De gedachte was waarschijnlijk dat als de promo­vendus meende dat hij zijn inspiratie voor zijn proefschrift aan God te danken had, dat zijn zaak was, maar dat dankbaarheid voor de schepping in een wetenschappelijke con­text toch wat vreemd is. We weten immers – een beetje – hoe de wereld ontstaan is; hoe zouden we ‘dankbaar’ kunnen zijn voor evolutionaire processen?

 

Ik ga er niet voor pleiten om God weer terug te halen in de wetenschap of in de kraam­kliniek. Ik moet zowel de gelovigen als de ongelovigen teleurstellen als ze den­ken dat ik hun zaak ga bepleiten. Wel wil ik proberen te begrijpen wat er met ons ge­beurt nu we met het geloof in een God ook onze dankbaarheid lijken kwijt te raken, althans onze dankbaarheid voor wat we niet gewoon van iemand anders krijgen.

De ‘gewone’ dankbaarheid zijn we geenszins kwijtgeraakt; ze lijkt zelfs groter gewor­den – of ze is aan een zekere inflatie onderhevig. Zelfs in ons antwoord op een onwel­ko­me e-mail antwoorden we nog met ‘veel dank voor je bericht’. Maar dankbaarheid voor de geboorte van een kind, de grootsheid van het heelal of de subtiele microme­cha­niek van het brein, de inspiratie voor een muzikaal oeuvre, de gezondheid van ons­zelf en onze geliefden, het lukken van een leven, het vinden van een vriend, of wat voor goeds dan ook ons toevalt: dat klinkt ‘een beetje raar’.

Wanneer het niet duidelijk is tot wie we onze dank moeten richten, krijgen we het woord niet meer over de lippen – of trekken we het snel terug als het er toch even aan ontsnapt. En toch voelen we soms iets als dankbaarheid. Als we dat ontkennen, ver­loochenen we onszelf; maar als we het uitdrukken in termen van dankbaarheid klinkt het onwaarachtig. We voelen een dankbaarheid waar we niet in kunnen geloven; we kritiseren en corrigeren onvermijdelijk het gevoel dat we niet kunnen onderdrukken.

Die ervaring lijkt sterk op wat Friedrich Nietzsche beschrijft als de laatste fase van het nihilisme: de fase waarin de mens beseft hoe hij niet zonder de idee van waarheid, of het ideaal van goedheid en schoonheid kan, terwijl hij tegelijkertijd daar niet meer in kan geloven. Dan staat de mens voor het ‘verschrikkelijke alternatief’: ofwel zichzelf afschaffen (omdat men in een wereld zonder ideaal van waarheid en goedheid en zin niet leven kan), ofwel die idealen afschaffen, omdat het geloof daarin huichelachtig zou zijn; maar omdat men zonder die idealen niet leven kan, zou dat op hetzelfde neerkomen. De ervaring van dankbaarheid en de verlegenheid die ze soms oproept illustreren wat Nietzsche met dat grote en globale woord ‘nihilisme’ aanduidt. Biedt ze ook een mogelijkheid tot een uitweg daaruit?

 

Ik denk dat het probleem te maken heeft met de manier waarop we dankbaarheid zijn gaan begrijpen: als een vorm van wederkerigheid, waarin we aan degene die ons iets gegeven heeft, iets teruggeven: een woord van dank of een tegengift. In dat begrip van dankbaarheid is er éérst een schenker, aan wie we vervolgens dank verschuldigd zijn als vergelding voor zijn geschenk. Dankbaarheid is het besef van deze verplichting. Dat begrip van dankbaarheid brengt ons in problemen als we dankbaarheid voelen voor zaken die we niet van iemand gekregen hebben en waarvoor we dus niet aan ie­mand dank verschuldigd zijn.

Misschien moeten we proberen er anders over te denken. Gemakkelijk is dat niet. Be­grippen bepalen immers de wijze waarop we de werkelijkheid ervaren. Het maakt veel uit of je vluchtelingen ‘migranten’ noemt of ‘gelukzoekers’. Zoals ‘zorg’ veran­dert zodra ze wordt ‘ingekocht’ en ‘afgerekend’, zo verandert ‘dankbaarheid’ als ze ‘verschuldigd’ wordt. Het is niet gemakkelijk om zo’n verschuiving tegen te gaan of terug te draaien, of om ervaringen los te maken van de interpretatiekaders waarin ze zich hebben ontwikkeld.

En toch is dat de taak van de filosofie. Ze probeert de werkelijkheid te bevrijden van de vanzelfsprekendheid van haar gangbare interpretatie, zodat we ons weer over haar kunnen verwonderen. Ze probeert nieuwe werkelijkheid te scheppen door heersende interpretatiekaders te deconstrueren, nieuwe interpretaties voor te stellen of vergeten lagen van het palimpsest van interpretaties tevoorschijn te halen.

Kunnen we onze ervaring van dankbaarheid anders interpreteren? En een begrip van dankbaarheid ontwikkelen dat ons niet in verlegenheid brengt en toch goed uitdrukt wat we ervaren bij de geboorte van een kind, de terugblik op een loopbaan of de ver­wondering over de werking van ons brein? Kunnen we die ervaringen uitdrukken zon­der een beroep te doen op een theologie die we niet meer gemakkelijk herkennen?

 

‘Dankbaarheid’ wordt doorgaans bepaald door wederkerigheid tussen twee figuren: degene die geeft en degene die daarvoor compenseert door zijn dank te uiten. Die voorstelling doet tekort aan de belangrijke rol van het ontvangen. Zowel geven als danken zijn immers slechts mogelijk door het ontvangen. Wat zou ‘geven’ zijn, als de gave niet als zodanig ontvangen wordt? Probeer maar eens iets te geven aan iemand die niet kan ontvangen! De gave wordt pas een gave door de ontvangst ervan als een geschenk.

Wat niet als geschenk ontvangen wordt, verandert in iets anders – een betaling voor be­wezen diensten, een uitnodiging of zelfs verplichting om iets terug te doen, of een onderwerping die afstand en afhankelijkheid creëert. Alleen het ontvangen van de ga­ve als een geschenk maakt de gave tot wat ze zijn wil.

Voor de dank als antwoord op de gave geldt hetzelfde. Alleen wanneer de gave als ge­schenk ontvangen is, kan de dank echte dank zijn, anders ontspoort hij. Wie zo gauw mogelijk ‘een bedankje wil sturen’ heeft geen geschenk ont­vangen maar kreeg een schuld opgelegd; wie zich afvraagt of zijn dank wel aan de maat is en in verhou­ding staat tot het geschenk, heeft geen geschenk ontvangen, maar heeft iets gekocht of kreeg iets opgedrongen. Wie moeite doet om het ontvangen geschenk te overtreffen, kreeg geen geschenk, maar voelt zich afhankelijk gemaakt en probeert vervolgens zich daarvan te bevrijden.

Laten we de dankbaarheid dus niet identificeren met de dank waarmee we een ge­schenk vergoeden, maar haar liever zoeken in dat ontvangen, de mogelijkheids­voor­waarde voor geven én danken. Ontvangen zou wel eens de kunst van de dankbaarheid kunnen zijn, de kunst die dat wat ons overkomt tot een geschenk maakt en onze reac­tie daarop tot dank. Soms gaat dat bijna vanzelf. Een kind dat geboren wordt, ook als de moeder er hard voor moest werken en zelfs als de ouders het eerder hadden over ‘een kindje maken’, kan bijna niet anders dan als een ge­schenk ontvangen worden.

In andere gevallen is het minder vanzelfsprekend en vraagt het oefening om dat wat ons overkomt niet zozeer te incasseren, accepteren of toe te eigenen, maar te ontvan­gen en zo tot een geschenk te maken. Als dat lukt zal onze re­actie vanzelf tot dank worden; die dank is dan niet per se een teruggeven aan de­gene die gegeven had, maar een weergeven of uitstralen van het geluk dat we genieten en willen doorgeven. Het is geen toeval dat Mark Zuckerberg besluit ruim 90 procent van zijn vermogen te schen­ken op het moment dat hem een dochter werd geboren.

Tot slot: evenmin als het heersende begrip van dankbaarheid gebruikt kan worden als een argument voor het bestaan van God, mogen we in dit andere begrip van dank­baarheid een verdediging van een atheïsme vinden. Want er is niets dat het de gelo­vi­ge verbiedt deze dankbaarheid te richten tot God. Alleen zal het dan een God zijn die hem niet verplicht om dankbaar te zijn, maar die hij ontdekt door zijn dankbaarheid.

 

Dit essay is een bewerking van het college dat Paul van Tongeren uitsprak bij zijn afscheid als hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Radboud Universiteit. Het werd eerder gepubliceerd in Trouw Een uitgebreide versie hiervan is als boek verschenen: Dankbaar. Denken over danken na de dood van God.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie