De eerste zin van Over de ziel van Aristoteles

0
3

Aristoteles’ De ziel is zonder enige twijfel een van de diepste, oorspronkelijkste en invloedrijkste teksten uit de geschiedenis van de filosofie. Aristoteles stelt er de vraag wat de ziel is en formuleert een antwoord dat ons nog steeds te denken geeft. Wat hij in dit werk over waarnemen, verbeelding en denken zegt heeft tot in onze tijd de filosofische discussie daarover bepaald.
Vernieuwde heruitgave van de onvolprezen teksteditie van dit meesterwerk, dat verplichte lectuur is voor filosofen, psychologen en ieder die nadenkt over de vraag wat een ziel is en wat een mens is – wie hij zelf is. Nu als tweetalige uitgave, waarin het Grieks parallel met het Nederlands is opgenomen.

Aristoteles (384-322 v. Chr.) was de grootste leerling van Plato, die hem volgens een antieke anekdote ‘het intellect van de school’ noemde. Na Plato’s dood legde Aristoteles de basis voor een eigen school en werkte met grote toewijding aan een filosofisch oeuvre dat nagenoeg het geheel van de werkelijkheid zou bestrijken. Het hier vertaalde werk Peri psuchès gaat over de kapitale vraag wat de ziel nu eigenlijk is, de ziel van mensen maar ook die van dieren en zelfs die van planten. Aristoteles’ antwoord is fascinerend, prikkelend en nog steeds herkenbaar omdat hij wel aanvaardt dat de ziel altijd aan een lichaam gebonden is, maar niet bereid is haar aan dat lichaam prijs te geven. Ze is een onherleidbaar beginsel dat de levenloze materie tot een organisme maakt dat gericht is op de ontwikkeling van zijn mogelijkheden en waarin elk onderdeel dankzij de ziel een functie en betekenis heeft. Het is op dit antwoord dat Aristoteles uiteindelijk zijn antropologie, zijn ethiek en zijn sociale filosofie fundeert

In het kader van de Maand van de Filosofie vroegen wij Ben Schomakers zijn vertaling van de eerste zin van Aristoteles’ Over de ziel toe te lichten.

De woorden van Aristoteles: materie in de bosjes

Aristoteles heeft veel over het verband tussen denken en taal nagedacht. Hij heeft de taal een symbool genoemd van dat wat er in de ziel gebeurt. Hij is een van die filosofen voor wie het in de hoogste mate geldt dat ze hun denken meedelen door zich op een vaste terminologie te beroepen, op een klein aantal woorden die telkens terugkeren en die de verhoudingen binnen hun eigenlijke denken weerspiegelen. Over de betekenis van de belangrijkste termen heeft Aristoteles echter glorieus gezwegen, ook in een klein, vooral veilig lexicon dat hij in de Metafysica opnam.
Toch moeten vertalers die terminologie respecteren, zelfs als ze niet helemaal zeker weten waarvoor Aristoteles die precies gebruikt, en zelfs als ze daarvoor af en toe de grenzen van het Nederlands moeten oprekken. Ze biedt de toegang tot het denken dat aan de woorden voorafgaat. Sjoemelen met die terminologie houdt het gevaar in van een vertaling die misschien soepel van zin naar zin glijdt, maar die de punten die er werkelijk toe onzichtbaar maakt en de toegang naar het denken zelf overspoelt. Alsof bij de vertaling van een roman de namen van de personages van zin tot zin veranderd zouden worden.

Ingewikkeld voor lezers en vertalers van Aristoteles is dat hij als eerste filosoof betogen schreef met vraagstellingen, hypotheses, uitputtende argumenten, afweging van pro’s en contra’s en zover mogelijk ook duidelijke antwoorden, en dat hij daartoe een filosofische taal nodig had die nog niet bestond. Natuurlijk heeft ook Plato veel geschreven, maar die schept er onmiskenbaar plezier in technische taal te vermijden ten gunste van een algemene taal – wel in het hoge register, enigszins literair – en is vooral altijd suggestief en plagerig. Zijn taal is bedoeld niet stellig en overtuigend te zijn.

Bij Plato vond Aristoteles weinig terminologische steun en dus moest hij zijn technische vocabulaire zelf maken, door ofwel woorden of uitdrukkingen in elkaar te knutselen,ofwel aan woorden die al in het Grieks bestonden een heel eigen betekenis te geven, meestal zonder dat aan te kondigen en zonder die betekenis te articuleren. Een woord als hulè dat altijd voor ‘bebost gebied’ en vandaar ook voor ‘hout’ gestaan had, wordt nu opeens een aanduiding (lijkt het) voor het abstracte begrip ‘materie’. Begrijp dat maar eens, zoek het maar uit.

De dieven uit de Middeleeuwen: essentie, definitie, substantie

Bij de door Aristoteles zelf gefabriceerde woorden kun je als vertaler maar het best zo letterlijk mogelijk zijn, zodat to ti èn einai ‘het wat-was-er-te-zijn?’ wordt en to ti esti‘het wat-is-er?’, en niet ‘essentie’ of ‘formule’ respectievelijk ‘definitie’, hoewel dat de gebruikelijke vertalingen zijn sinds de Middeleeuwen. De Middeleeuwse filosofen zijn wel de trotse redders van de teksten van Aristoteles geweest, maar ze zijn ook bezitterig onmiddellijk de weg gaan versperren om bij Aristoteles in de buurt te komen: zijn termen krijgen een andere betekenis.

Die sluipende ontvreemding heeft algemener plaatsgevonden. Aristoteles was de eerste en meteen de beste filosofische terminoloog, met als gevolg dat zijn taal die van alle latere filosofen is gaan bepalen en de basis van het westerse filosofische vocabulaire hoe dan ook geworden is. Maar terwijl de woorden (vertaald en vertaald en vertaald) dezelfde bleven, veranderden de betekenissen ongemerkt vaak wel. Een vertaler moet aldoor terug naar de oorspronkelijke terminologie, en kan soms zelf nieuwe termen bedenken en de traditie passeren, maar als hij dat in alle gevallen doet, kan de vertaling naar een ontoegankelijk idiolect doorschieten. En kom dan maar eens bij Aristoteles terug.

Een sleutelwoord bij Aristoteles is ousia, en dat betekent in feite (misschien) ‘de dingen die er zijn’ en (zeker) ook ‘dat wat aan iets toebehoort’, maar het is in de Middeleeuwen ineengekrompen tot ‘substantie’ of zelfs ‘essentie’. Aandachtige lezers van Aristoteles moeten nog steeds hun best doen, in aarzelende boeken, om te ontsnappen uit die verstarde wereld, opgebouwd uit statische dingen die de zinderende en van onderlinge verbanden doortrokken werkelijkheid van Aristoteles onzichtbaar maken. En ook om vervolgens het verhaal over dat nieuwe uitzicht te vertellen. Een verkeerde vertaling kan tot de overtuiging van een andere wereld leiden, meestal een minder subtiele. En een correctie op zo’n vertaling, bijvoorbeeld in de vorm van een weergave van ousia als ‘dat-wat-is’, mag eigenlijk alleen hopen aan te zetten zet tot het langzaam, heel langzaam herschrijven van die geschiedenis.

De zin over de ziel

Er zijn ook brokken ontstaan door verkeerd geijkte vertalingen van het werk van Aristoteles Over de ziel, een van de belangrijkste boeken van de westerse filosofie, en een van de weerbarstigste, onder andere doordat Aristoteles hier nog meer dan elders voor zichzelf geschreven lijkt te hebben, in zinnen en passages die onaf zijn en in een taal die zoekt naar woorden voor dingen waarvoor niemand nog woorden gehad had (en waarvoor de juiste woorden nog steeds niet gevonden lijken te zijn). En omdat de ziel het middelpunt van het leven en ook van de mens is, impliceert een verkeerd begrepen en vertaalde ziel ook een verkeerde antropologie, ethiek en zelfs metafysica. De ziel van Aristoteles is er in de moderne geschiedenis verontrustend schimmig van afgekomen, door slecht vertalen dat vermoedelijk ook het ongemak van die geschiedenis met de ziel weerspiegelt.

De ziel zou in de ogen van Aristoteles een secundair verschijnsel geweest zijn, zonder kern, zonder eigen bestaan, ondergeschikt en afgeleid van de materie. Bewijs is de definitie van de ziel als ‘de vorm van een lichaam’, waarbij de ‘vorm’ (eidos) als een soort aan materie klevende gestalte wordt opgevat. En niet dus op zijn platoons – want Aristoteles was toch de tegenpool van Plato, niet soms? – als een beginsel van een andere orde dan de materie zelf. Hier wreekt zich het overgeërfde gevoel dat Aristoteles van Plato moet verschillen, dat hij een filosoof van de natuurlijke, materiële werkelijkheid is, en een gebrek aan voorstellingsvermogen wat een ‘vorm’ allemaal zou kunnen zijn maar ook het gebrek aan kennis van wat een ‘vorm’ in de technische taal van Aristoteles betekent, in een vertaling die de ziel, en daarmee de mens, reduceert tot een wezen zonder kern.

Over de zin waarin deze definitie voorkomt wil ik het nu niet hebben, ook niet over de eerste zin waarmee Over de ziel opent, maar wel over de hiërarchisch beschouwd eerste zin,. Die bevat de door Aristoteles trots maar voorzichtig als de uiteindelijke gepresenteerde definitie. ‘De eerste zin’ vat ik voor deze gelegenheid op als de allerbelangrijkste zin:

Oorspronkelijke Griekse tekst van Aristoteles definitie van de ziel: Ei dè ti koinon epi pasès psuchès dei legein, eiè an entelecheia hè prootè soomatos phusikou organikou.
Ei dè ti koinon epi pasès psuchès dei legein, eiè an entelecheia hè prootè soomatos phusikou organikou.
Wanneer we een omschrijving moeten geven die voor elke ziel geldt, zou die kunnen zijn ‘de eerste verwerkelijking van een natuurlijk, werktuiglijk lichaam’.
(Aristoteles, Over de ziel II.1 412b4-5)

Lees hier het volledige artikel op de website van Athenaeum Boekhandel.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER