De grens van de mens

0
1

April is de Maand van de Filosofie. Daarom plaatsen we deze maand elke dag een nieuwe tekst of video op Filoblog. Vandaag het eerste deel van een driedelige serie van techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek. Dit artikel verscheen eerder in het boek Moralicide.

‘Tot nu toe schiepen alle wezens iets boven zichzelve uit; en wilt gij de ebbe van deze grote vloed zijn en liever nog tot het dier terugkeren dan de mens overwinnen?’

Met deze woorden liet Friedrich Nietzsche in 1883 zijn Zarathustra de komst van de nieuwe mens aankondigen (Nietzsche, 1985, 27). De tijd is rijp voor een opvolger van de gebrekkige en onderdanige mens die wij zijn, aldus Zarathustra. De mens moet niet langer gezien worden als een doel in zichzelf, maar als een brug naar een hoger wezen: de Übermensch (ibid., 28). Recente technologische ontwikkelingen hebben het beeld van de Übermensch nieuw leven ingeblazen, inclusief de lastige ethische vragen die daarmee verbonden zijn. Er ontstaan steeds meer mogelijkheden om technologisch in te grijpen in de mens. Neuroimplantaten die direct op de hersenen worden aangesloten kunnen de gevolgen van de ziekte van Parkinson verminderen. Er wordt menselijk weefsel gekweekt uit stamcellen, bijvoorbeeld om gaten in botweefsel te herstellen die door kanker zijn ontstaan, of om hartkleppen te kweken die door het lichaam als ‘eigen’ worden herkend. Embryoselectie maakt het mogelijk om in te grijpen in de aard van ons nageslacht. Het ‘beter maken’ van mensen blijkt niet meer alleen het genezen van ziekten in te kunnen houden, maar ook het verbeteren van de mens.

De nieuwste technologieën geven zo een nieuwe gestalte aan het beeld van de Übermensch. We lijken ‘voorbij de mens’ te kunnen gaan – waarbij sommigen zelfs al dromen over een verbeterde versie van onszelf of een opvolger van homo sapiens. Daarmee brengen nieuwe technologieën de grens van de mens in beeld. In feitelijke zin: in hoeverre kunnen de nieuwe hybriden van mens en techniek nog ‘mens’ heten? Maar ook in ethische zin: is hier een grens van de mens in het geding, die we zouden moeten respecteren? In deze ethische discussie buitelen voor- en tegenstanders van het verbeteren van de mens over elkaar heen. Jürgen Habermas, bijvoorbeeld, is een fel tegenstander, omdat mensverbetering betekent dat we beslissingen nemen over toekomstige mensen zonder dat zij erover mee kunnen praten, en omdat we de basis onder onszelf als morele wezens weghalen wanneer we onze eigen natuur veranderen (Habermas, 2003). De Britse ethicus Nick Bostrom daarentegen verdedigt de verbetering van de mens met een beroep op de menselijke waardigheid: hij ziet het als een morele plicht om de mens intelligenter, gevoeliger en sterker te maken, met een langer en gelukkiger leven (Bostrom, 2005).

Deze strijd tussen ‘bioconservatieven’ als Habermas en ‘transhumanisten’ als Bostrom is nogal onbevredigend – en daarmee illustreert ze de noodzaak van een nieuwe benadering in de techniekethiek. Beide posities geven zich namelijk onvoldoende rekenschap van de complexiteit van de relaties tussen mens en technologie. Terwijl er in de afgelopen decennia in de techniekfilosofie juist veel werk is verricht om de relaties tussen mens en techniek nader te analyseren. De centrale gedachte in een aantal prominente benaderingen in de techniekfilosofie is dat mens en techniek niet los van elkaar begrepen kunnen worden, maar alleen in hun onderlinge verhouding (Latour, 1994; Ihde, 1990). Ze zijn niet alleen feitelijk vaak met elkaar verweven, maar ze zijn ook niet zonder elkaar te begrijpen. Mens en technologie constitueren elkaar. En als mens en techniek zo principieel met elkaar verweven zijn, kan de ethiek zich niet meer opstellen als grensbewaker die bepaalt tot hoever ‘de techniek’ mag binnendringen in de sfeer van ‘de mens’, zoals de bioconservatieven doen.

Maar evenmin kan de ethiek volstaan met het transhumanistische argument dat techniek een instrument is om menselijke gezondheid, intelligentie, levensduur en geluksbeleving te vergroten. Want daarmee miskent ze dat techniek veel meer is dan een instrument, en dat het menszijn op een nieuwe manier vorm krijgt door deze technologieën. Er zal, kortom, een andere benadering van techniek en een andere vorm van ethiek gevonden moeten worden om de ontwikkeling van de nieuwste technologieën te begeleiden.

1. Mens en techniek
Nieuwe relaties tussen mens en technologie De nieuwste technologieën – door de Duitse filosoof Peter Sloterdijk ook wel ‘antropotechnologieën’ genoemd – vormen een uitdaging voor de techniekfilosofie. Ze passen namelijk niet meer vanzelfsprekend in de kaders die zijn uitgezet. Een van de centrale posities in het onderzoek naar de relaties tussen mens en techniek is die van Don Ihde. Ihde onderscheidt een veelheid aan mens-techniekrelaties – variërend van het ‘inlijven’ en aflezen van technologie tot interactie en een ‘achtergrondrelatie’ (Ihde, 1990). Ihde heeft in zijn werk uitvoerig onderzocht hoe technologie, vanuit al deze relaties die mensen ermee kunnen hebben, een rol speelt in het tot stand komen van interpretatiekaders, wetenschappelijke kennis en culturele praktijken. De meest recente technologische ontwikkelingen vallen echter buiten dit kader. De centrale focus van Ihde’s schema is namelijk technologie die wordt gebruikt: brillen, telescopen, hamers, gehoorapparaten. Terwijl de nieuwste technologieën in toenemende mate configuraties van mens en techniek oproepen die niet meer als ‘gebruik’ te karakteriseren zijn. Intelligente omgevingen, bijvoorbeeld, leiden tot een configuratie die eerder aangeduid kan worden als immersie: ondergedompeld zijn in een omgeving die intelligent reageert op jouw aanwezigheid en activiteit. Precies de tegengestelde richting nemen de antropotechnologieën. Deze bewegen zich niet naar buiten maar naar binnen – niet naar de omgeving maar naar het lichaam. Dit kan als versmelting worden aangeduid, omdat er nauwelijks nog onderscheid tussen mens en technologie kan worden gemaakt. Wanneer een dove weer enigszins kan horen dankzij een cochleair implantaat, dat rechtstreeks op de gehoorzenuw is aangesloten, is dat ‘horen’ een gemeenschappelijke activiteit van mens en technologie: het is de gehele configuratie die hoort, en niet een mens die dat doet dankzij techniek (cf. Verbeek, 2008).

Autonomie
Beide bewegingen – naar de omgeving en naar het lichaam – vervagen de grens tussen mens en technologie. Technologie wordt steeds minder zichtbaar, en dat is ongetwijfeld een van de redenen waarom de huidige ontwikkelingen door sommigen als bedreigend worden ervaren. Onze grenzen lijken te verdampen: zowel in ons ‘buiten’ als in ons ‘binnen’ lijkt technologie de dienst uit te gaan maken. Deze zorg om de menselijke autonomie kan zonder overdrijving als de obsessie van de klassieke techniekkritiek worden aangeduid.
Steeds was het kernthema hoe de mens kan ontkomen aan de dominantie van technologie, die de macht over de mens zou overnemen en de mens zou vervreemden van zichzelf en zijn omgeving. In werkelijkheid zijn we echter helemaal nooit autonoom geweest ten opzichte van technologie. Een van de belangrijkste inzichten uit de hedendaagse techniekfilosofie is dat technologie een fundamenteel bemiddelende rol speelt in menselijke ervaringen en activiteiten. Onze persoonlijke contacten worden bemiddeld door telefoons en computers, onze meningen en opvattingen door kranten, televisies en beeldschermen, onze verplaatsingen door auto’s, treinen en vliegtuigen. Zelfs onze moraal is technologisch bemiddeld, zoals ik de afgelopen jaren heb uitgewerkt. De beslissing of een zwangerschap van een kind met een aangeboren afwijking moet worden afgebroken, bijvoorbeeld, is geen autonome keuze, maar wordt in belangrijke mate voorgestructureerd door de manier waarop een technologie als echoscopie het ongeboren kind tegenwoordig stelt. We moeten de gedachte opgeven dat we soeverein zijn ten opzichte van technologie. Mensen zijn door en door technologisch bemiddelde wezens.

Voor ons moderne mensen, voortgekomen uit de Verlichting, is dit een lastig te verteren inzicht. Het moderne zelfbeeld van het autonome subject, door de Verlichting bevrijd van dictatuur, onwetendheid en afhankelijkheid, heeft immers al enkele flinke deuken opgelopen, zoals Freud in zijn Inleiding tot de Psychoanalyse zo indringend heeft betoogd. Copernicus heeft ons verdreven uit het middelpunt van de kosmos door de aarde om de zon te laten draaien. Vervolgens heeft Darwin onze unieke plaats in de schepping gerelativeerd door de mens evolutionair te verbinden met de dieren. En Freud dichtte zichzelf de rol toe van degene die de derde deuk sloeg in het moderne zelfbeeld, door te laten zien dat ons ego niet de baas is over zichzelf, maar het product van een complexe interactie met ons onderbewuste (Freud, 1989).

De huidige technologische ontwikkelingen zetten deze ontmaskering van het moderne, autonome subject voort – maar met andere middelen dan de filosofie dat deed. Freuds opsomming van ontmaskeraars van het moderne subject kan worden uitgebreid met een reeks namen van bèta’s, die de autonomie van de mens op een technologische manier hebben gerelativeerd.

Grensvervaging
Wat levert het ons op, om de huidige fysieke vervaging van de grens tussen mens en technologie op één lijn te stellen met de ontmaskering van het autonome subject? Rest ons vanuit deze benadering nog iets anders dan simpelweg te aanvaarden dat we slaven van de techniek zijn, die hooguit her en der wat subversief gedrag kunnen vertonen? Is er nog wel een ethische begrenzing van techniek mogelijk, als we zowel geestelijk als lichamelijk geheel bemiddeld en gestuurd worden door techniek? Moeten we maar aanvaarden dat de grens tussen mens en techniek niet bestaat, en ons overleveren aan de apparaten? Nee, natuurlijk moeten we dat niet. Juist dát zou immers het einde van de mens betekenen. Juist dát is wat Nietzsche bedoelde met terugkeren tot het dier in plaats van het beste uit de mens te halen. Wat we moeten doen, is verantwoordelijkheid nemen voor onze verwevenheid met techniek.

Dat de mens een product van technologie is, net zoals technologie een product van mensen is, betekent niet dat de mens willoos overgeleverd is aan technologie, of zich onder haar macht uit zou moeten proberen te werken. Tegenover een dergelijke dialectische benadering, die de relatie tussen mens en techniek ziet in termen van onderdrukking en bevrijding, is een hermeneutische benadering nodig. Binnen zo’n benadering vormt technologie het weefsel van betekenis waarbinnen ons bestaan vorm krijgt. We zijn net zo weinig autonoom ten opzichte van technologie als ten opzichte van taal, of zuurstof, of de zwaartekracht. Het zou onzinnig zijn om onszelf ervan te willen zuiveren, want daarmee zouden we tegelijkertijd onszelf opheffen. Technologie behoort tot de menselijke conditie. We moeten ermee leren leven – in alle betekenissen die deze uitdrukking kan hebben. Dat wil zeggen: we moeten ons bestaan vormgeven in relatie tot technologie.

Amodernisme
Hiermee stuiten we tevens op een metafysische kwestie die in mijn ogen het meest spannende onderdeel van de techniekfilosofie vormt. Om technologie goed te begrijpen moeten de meest fundamentele kaders waarin we denken op de schop – en dan vooral het onderscheid dat wij doorgaans maken tussen subjecten en objecten.
Zoals de Franse filosoof Bruno Latour heeft betoogd, maken wij dit onderscheid pas echt sinds de Verlichting. Subjecten zijn dan actief en hebben intenties en vrijheid, terwijl objecten levenloos zijn, passief, en op zijn best projectieschermen of instrumenten voor menselijke bedoelingen (Latour, 1991). Vanuit een dergelijke metafysica is het niet mogelijk om de verwevenheid en verbondenheid van subject en object goed te zien.

En dat is nu precies wat nodig blijkt te zijn om de relaties tussen mens en techniek goed te begrijpen en te beoordelen. We moeten een begrip van de mens ontwikkelen voorbij het autonome subject dat zich wil zuiveren van invloeden van buitenaf. En een ethiek die voorbij is aan het veilig stellen van deze zuivering, en die zich niet meer uitsluitend richt op risico’s, privacyschendingen en andere bedreigingen die ‘de techniek’ in petto kan hebben voor ‘de mens’.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER