De natuur op het nachtkastje (2)

0
1

April is de Maand van de Filosofie. Daarom plaatsen we deze maand elke dag een nieuwe tekst of video op Filoblog. Vandaag het tweede deel van een tweedelige serie van Marli Huijer. Het eerste deel kunt u hier lezen. Van haar hand verscheen eerder bij Uitgeverij Klement het boek Ritme.

De idee van een mensvriendelijke natuur
Maar over welke natuur gaat het als mensen schrijven en praten over het verlangen naar natuurlijke ritmes, of een natuurlijke tijd? Natuur wordt vaak geassocieerd met schoonheid, gezondheid, harmonie, orde, weldadigheid en rust. Dat de natuur, om met Hannah Arendt te spreken (1998/1958, 137), een sublieme onverschilligheid vertoont ten opzichte van de mens, en in staat is om in een oogwenk miljoenen mensen, zo niet het hele mensenras, te doden, wordt in de westerse, technologische cultuur vaak vergeten.

Ook in het boek van Hermsen staat natuur vooral gelijk aan warme zomers in zuidelijke landen, met ’s ochtends ‘een weergaloos blauwe hemel’ en ‘weidse landschappen’, ’s middags een bad in het meer van Bolsena, in de namiddag ‘campari met citroen, olijf en ijs’, en ’s avonds ‘een wandeling door de heuvels’ (Hermsen 2009, 110-112). Geen betere garantie om contact met het eigen innerlijk te krijgen dan een natuur die de mens licht, warmte en comfort brengt. Maar het maakt nogal uit of we in bovenstaande reclametekst over de Wake-Up Light het woord ‘natuurlijk’ associëren met ‘lieflijk’ of met ‘gruwelijk’. Ontspannen wakker worden van lieflijke geluiden, klinkt goed. Maar wakker worden met gruwelijke geluiden? Minder humeurig wakker worden omdat de Wake-Up Light op ‘natuurlijke’ (lees: gruwelijke) wijze de lichtintensiteit verhoogt? De eerste, lieflijke of mensvriendelijke natuur helpt ons wellicht om dichter bij onszelf te komen. Maar van een natuur die bestaat uit barre winters, overstromingen, zware regenval, epidemieën, voedselschaarste, vulkaanuitbarstingen en lawines hebben we weinig heil te verwachten. Die tweede, mensonverschillige natuur dwingt ons ertoe om de aandacht naar buiten te richten; de aandacht naar binnen richten zou bij deze soort natuur desastreus
zijn.

Technologieën die natuurlijke ritmes nabootsen, dragen in hun presentatie – impliciet of expliciet – uit dat de natuur mensvriendelijk is. Ze bootsen niet de ritmes van regenbuien of overstromingen, van menstruatiekrampen of hartkloppingen, van epidemieën of meteorietinslagen na, maar de ritmes van een lieflijke zonsopgang en -ondergang, van regelmatige hartritmes, vruchtbare cycli, rustgevende dierengeluiden en wandelingen door een ongerepte natuur. Ze sluiten daarmee prettig aan bij het ambigue verlangen naar echte natuur. Maar biomimetische technieken zijn niet alleen een antwoord op het nostalgische verlangen naar natuurlijke tijd, ze zijn ook een uitvloeisel van recente inzichten uit de chronobiologie, een tak van de biologie die zich bezighoudt met biologische ritmes. Begin jaren zeventig werd in dit vakgebied ontdekt dat er een centrale biologische ‘klok’ in onze hersenen zit (Meijer, 2008). Latere ontdekkingen toonden aan dat deze klok in contact staat met perifere uurwerkjes (klokgenen) die door het hele organisme zijn verspreid. Via tal van feedbackmechanismen zorgen de centrale en perifere ‘klokken’ dat het menselijk lichaam zich keer op keer aanpast aan het licht in de omgeving (Croonen, 2008; Van der Horst, 2008). De ontdekkingen van deze biologische ‘klokken’ in het menselijk lichaam hebben een brede wetenschappelijke belangstelling doen ontstaan voor de betekenis van circadiaanse (van circa en dies, ongeveer een dag) en andere kosmische ritmes voor de menselijke gezondheid en het welzijn.

Chronobiologen leren ons bovendien dat leven volgens het circadiaanse ritme het risico op hart- en vaatziektes, borstkanker, geheugenverlies, depressie of obesitas vermindert (Hastings & Herzog, 2004; Meijer 2008; Riemersma et al., 2008; van der Horst, 2008). Hoe meer mensen uit de pas lopen – door ploegendienst, nachtwerk, onregelmatig leven – hoe groter de kans op ziektes, depressieve stemmingen en verslavend gedrag (Davis et al., 2001; Rea et al., 2008; Schernhammer et al., 2001). Het eeuwenoude geloof dat het goed is om te leven naar de ritmes van de natuur – in dit geval naar het dag- en nachtritme –, wordt bevestigd in de hedendaagse chronobiologie.

Deze wetenschappelijke kennis over biologische ritmes en gezondheid is inmiddels doorgedrongen tot brede lagen van de bevolking. Groeperingen die altijd al riepen dat je volgens de ritmes van de natuur moet leven werpen zich nu met nog meer enthousiasme op om die boodschap in bladen, kranten en op websites uit te dragen. Het idee dat je in een technologische cultuur kunt leven alsof je in de natuur bent, spreekt vele consumenten aan. Technische producten die de natuur nabootsen vinden gretig aftrek. De lichtwekker was kort na de introductie zo gewild, dat de export even stil gelegd moest worden om aan de vraag in eigen land te kunnen voldoen (Elfrink, 2008). Ook gezondheidorganisaties en het beleid zijn steeds meer geïnteresseerd in de verbanden die wetenschappers vinden tussen biologische ritmes en gezondheid.

De lichtwekker en andere technologieën die natuurlijke ritmes nabootsen (de thermostaat van de verwarming, de stopweek volgens de maanstand bij gebruik van de anticonceptiepil of de kunstijsbaan in de winter) geven het gevoel dat, hoewel het menselijke bestaan steeds afhankelijker is geworden van technologie en technologiemede vorm geeft aan wat een mens is, we het contact met wie we ooit, in een wereld zonder technologie, waren niet kwijt zijn geraakt.

In dit verlangen om vast te houden aan een zekere natuurlijkheid worden natuur en technologie tegenover elkaar gesteld, waarbij natuur als mensvriendelijker wordt voorgesteld dan technologie. Die tegenstelling valt echter niet te rijmen met wat de lichtwekker in feite is: een hybride (mengvorm) tussen natuur en technologie. Wat tot natuur behoort en wat tot technologie is in de lichtwekker niet goed te onderscheiden. Toch willen we, om met Latour te spreken, natuur en technologie als twee gescheiden zones blijven zien. Maar dat is tegelijkertijd alleen maar mogelijk door een wilde proliferatie van hybriden (Latour 1991, 23). We dromen van een pure natuur, maar willen niet echt terug naar ‘zuivere’ natuurlijke ritmes – nachten zonder licht, winters zonder verwarming, getijden zonder dijken, zomers zonder airco, bergen zonder reddinghelikopters. Mengvormen van natuur en technologie helpen niet alleen om de droom van een zuivere, mensvriendelijke natuur in stand te houden, ze zorgen ook dat we ons ‘thuis’ blijven voelen in de technologische samenleving. De lichtwekker past ons niet aan de (natuurlijke) korte zomernacht en de lange winternacht aan, maar bootst op het door de gebruiker gewenste tijdstip de zonsondergang en zonsopgang na om hem zo het gevoel te geven dat het altijd zomer is. Hij wordt het jaar rond gedisciplineerd tot een mens voor wie elke ochtend de zon schijnt. Toegeven aan winterse somberheid, accepteren dat we op winterdagen langer in bed liggen en minder doen dan op zomerdagen, is er niet bij. Dat zou getuigen van ‘bioconservatisme’, als een enkele reis terug naar de Middeleeuwen, toen het uurwerk nog was aangepast aan de wisseling der seizoenen, en de uren korter werden naarmate de nacht langer werd (Dekker, 1999). Wie, zoals Rifkin, beoogt om technologieën aan te passen aan de natuur bedoelt meestal niet dat elk seizoen uren van verschillende lengte moet hebben, of dat we in de winter gewoon minder moeten doen dan in de zomer. De bedoeling is dat we van de natuur leren onder welke condities we het beste functioneren. Of dat we de natuur gebruiken om een aangenamer of beter leven te leiden. De koesterende warmte van de zon bootsen we na door gebouwen te verlichten en te verwarmen. De ijspret in de winter bootsen we na door kunstijsbanen te bouwen. De ochtendzon, die ons in de lente wekt, bootsen we na met de lichtwekker. We willen uiteindelijk niet de natuur zelf – in dit geval de natuurlijke ritmes van licht en donker – in ons leven terugbrengen, maar liever een hybride waarin de technologie de natuur heeft omgevormd tot een natuur die beter voldoet aan de maatstaven van de tegenwoordige cultuur.

Maar waarom zou dat nog iets met natuur te maken hebben? Moeten we de lichtwekker niet eerst en vooral opvatten als een technologisch artefact, een apparaat dat in feite niets met natuur te maken heeft? De idee van een mensverbeterende technologie Wanneer we de lichtwekker als pure technologie opvatten, dan wordt natuur tot een begrip dat instrumenteel wordt gebruikt. De chronobiologische kennis over natuurlijke ritmes en de effecten die deze hebben op het lichamelijke en mentale welzijn, wordt in deze optiek ingezet om mensen zo optimaal mogelijk te laten functioneren en presteren. De lichtwekker is dan een technologie die, als hij werkt, bijdraagt aan de verbetering van de mens: we slapen beter, waardoor ons humeur beter is, we kunnen meer stress aan, presteren beter, de kans op ongelukken en verslavingen is kleiner, we leven langer en zullen langer gezond en helder van geest blijven (Croonen, 2008; Koenen, 2010). Door een technische interventie wordt een betere geest in een beter lichaam bereikt. Het klinkt aanlokkelijk om nooit meer duf en chagrijnig wakker te worden, geen last meer te hebben van winterdepressies en het hele jaar door optimaal te presteren. Waarom zouden we niet alles uit onszelf halen? Als een lichtwekker daaraan kan bijdragen, dan is er toch geen reden om ervan af te zien? De aarzelende consument zal zich in dit scenario afvragen: Hoe komt het dat ik toch niet meteen naar de winkel ren? Ben ik te conservatief? Bang dat de technologie mij straks zal beheersen in plaats van dat ik de technologie beheers? Zal ik verslaafd raken aan de lichtwekker? Kan het zijn dat ik er een ander mens van word? Ik ken mezelf niet anders dan met een ochtendhumeur. Wat zou er gebeuren als ik straks altijd vrolijk wakker word? Zou ik mezelf dan nog herkennen?

Natuurlijk, zo zal deze twijfelaar denken, mensen hebben altijd al geprobeerd zichzelf door middel van technieken te verbeteren. Er zijn talloze voorbeelden te noemen: de keizersnede om een kind dat er niet vanzelf uit komt ter wereld te brengen, de beugel om een regelmatig gebit te krijgen, de contactlens om slechtziendheid te overwinnen, antidepressiva om een betere stemming te bereiken, borstverkleining om de last van te zware borsten te verkleinen, harttransplantatie om een falend hart te vervangen. Maar wat de lichtwekker doet verschillen van deze technologieën is dat de wens om zichzelf te verbeteren in dit geval niet is ingegeven door het overwinnen van een ziekte, een aandoening die het normale functioneren belemmert (zoals slechtziendheid), of een afwijking van wat we als normaal zien (een goed gebit), maar puur en alleen door de wens om door een aanpassing van het ritme beter te functioneren dan men deed.

De lichtwekker, zo zal de scepticus zeggen, verleidt ons op twee manieren tot mensverbetering. De eerste verleiding schuilt in de wetenschappelijke onderbouwing: de wekker is ontwikkeld op basis van de meest recente wetenschappelijke (chronobiologische) kennis naar de relatie tussen biologische ritmes en gezondheid. Hoe vaker wetenschappers aan burgers vertellen dat het voor hun welzijn en gezondheid van belang is om volgens een regelmatig, liefst ‘eigen’ ritme te leven, hoe meer zij verleid zullen worden om producten aan te schaffen die hen in het ritme houden. De tweede verleiding schuilt erin dat de lichtwekker een technologie is die ons niet minder natuurlijk maar juist meer natuurlijk lijkt te maken. De aarzeling die we kunnen hebben bij technologieën die het natuurlijke lichaam veranderen of ermee samensmelten – beugels, hersenimplantaten, borstimplantaten, nieuwe heupen –, is overbodig bij de lichtwekker. We hoeven niets te slikken, er hoeven geen lichaamsdelen vervangen of veranderd, we versmelten niet met de technologie, en we worden geen cyborg, zoals Donna Haraway (1991) de hybride tussen mens en artefact noemde. De lichtwekker staat gewoon op het nachtkastje. En we worden er niet minder natuurlijk van, maar – althans, zo wordt gezegd – méér natuurlijk. Maar juist de verleiding die van het spreken over het meer natuurlijke uitgaat, is verraderlijk, aldus de scepticus. Socioloog Nikolas Rose stelt in zijn boek The Politics of Life Itself (2007) dat dit soort, op de menselijke vitaliteit inwerkende, technologieën, grote invloed hebben op wie of wat we zijn. Hoe meer we tot diep in de celkern en het dna te weten komen over de vitaliteit van het menselijke organisme, en welk gedrag die vitaliteit verhoogt, hoe meer mensen die vitaliteit als een van de belangrijkste onderwerpen voor hun ethisch oordelen gaan zien (Rose, 2007, 254). Vragen over de waarde van het leven zijn daardoor ver binnendrongen in het alledaagse leven.

Niet de vraag of je een goed leven moet leiden staat voorop, of je wel alles uit jezelf moet halen, en of je jezelf wel moet verbeteren, maar de vraag hoe. Het getob over de lichtwekker is daar een voorbeeld van: bij elke nieuwe technologie voelt de consument zich verleid om serieus te overwegen of die de waarde van zijn leven ten goede komt of niet. Er is geen autoriteit die hem vertellen kan wat een waardevol leven is, maar dat het van belang is om een goed leven te leiden en daar ook zelf de verantwoordelijkheid voor te nemen behoort tot het dagelijkse vocabulaire van burgers, artsen, technici, het bedrijfsleven en hier en daar ook van techniekfilosofen.

De impliciete norm die de lichtwekker oplegt, zo zal de scepticus constateren, is daarom niet alleen dat het van belang is om goed te slapen en ’s ochtends fris op te staan, maar ook dat we keer op keer zelf moeten overwegen en besluiten wat voor ons een goed en waardevol leven is, of wat voor mens we willen zijn. Niet Ken u zelve! (met al uw makkes, zou ik eraan toe willen voegen), maar Verbeter u zelve!, is de norm. Maar ook de idee dat de lichtwekker een mensverbeterende techniek is, waar we enthousiast dan wel sceptisch over zouden moeten zijn, doet geen recht aan de vermenging van natuur, technologie en ethiek die in deze biomimetische techniek aan de orde is. Door de lichtwekker puur als technologie op te vatten, en daar vervolgens het etiket ‘goed’, ‘twijfelachtig’ of ‘fout’ op te plakken, blijft onzichtbaar hoe lastig het is om natuur en technologie uit elkaar te houden, en hoe lastig het is om over de hybride tussen natuur en technologie een normatief oordeel te geven.

Nieuwe morele vocabulaires
Maar als niemand ons kan vertellen wat een goed of beter leven is, als we geen beroep op de natuur of natuurlijke ritmes kunnen doen omdat de natuur pas bestaat en pas goed of slecht is als wij mensen ons daarover een oordeel hebben gevormd, als we geen beroep op de technologie of technologische ritmes kunnen doen omdat ook technologie pas goed of slecht is als mensen zich daarover hebben uitgelaten, en als er geen morele autoriteiten meer zijn die ons kunnen zeggen wat een goed of waardevol leven is, hoe kunnen we dan nog besluiten dat het ene ritme beter of waardevoller is dan het andere? Met welke woorden of gedachten kunnen we voorkomen dat we onder het mom van een ‘natuurlijker leven’ of een ‘natuurlijker mens’ een verhouding met de technologie aangaan waarin ons ‘ik’ gedisciplineerd wordt tot een steeds beter functionerend en presterend mens? De enige remedie lijkt te liggen in het gebruik van een vocabulaire dat voorbijgaat aan het onderscheid tussen natuur, technologie en ethiek. Bijvoorbeeld door de vraag te stellen wat een mens in relatie tot de tijd tot mens maakt. Wie of wat zijn we in relatie tot de vele ritmes te midden waarvan en waardoorheen we leven? Die vraag worden niet beantwoord door de tijd stil te zetten, en ook niet door ‘natuurlijke’ ritmes te propageren of door de 24 uurseconomie te bepleiten. De vraag wat een mens in relatie tot de tijd tot mens maakt, verwijst naar een onderliggende vraag: Wat zijn ritmes? Welke waarde hebben ritmes voor wie we zijn?

De menselijke conditie is vanaf het allereerste begin verbonden geweest met de ritmes van de omringende wereld. Aanvankelijk waren dat vooral ritmes van de natuur, maar met het voortgaan van de menselijke cultuur zijn dat meer en meer samengestelde ritmes van natuur en cultuur geworden. Ritme heeft te maken met verandering, herhaling en ordening. Het eenvoudig herhalen van een geluid of beweging is niet genoeg om van ritme te spreken. Iets wordt een ritme als er sprake is van herhaalde variaties die zich plaatsen in een ordening (Dewey, 2005/1934, 160). Ritme staat voor een tijdsopvatting waarin voortgang en verandering zich combineren met herhaling, feedback en continuïteit (Adam, 1990, 70-90). Willen we ons een oordeel vormen over de ritmes die het hedendaagse bestaan structureren, dan zullen we niet de vraag naar de verhouding van natuurlijke tot technologische ritmes moeten stellen, maar de vraag welke ritmes we ervaren als waardevol.

Is het bijvoorbeeld waardevol om het verschil tussen winter en zomer te handhaven? Om variatie in het aanbod aan groente en fruit te houden? Is het waardevol om het verschil tussen dag en nacht te kunnen ervaren? Is het waardevol om verschil in levensfasen te houden? Is het waardevol om één dag per week een collectieve rustdag te houden? Wat is het belang om variatie te houden in rust en bedrijvigheid, in gewone en feestdagen, in werkuren en vrije tijd? Dit soort vragen kunnen niet beantwoord worden met een beroep op de natuur, de technologie of de ethiek. Het vergt een kritische doordenking van wie we als mensen in de loop der tijd zijn geworden in relatie tot de ons omringende ritmes, en een zoeken naar woorden die helpen om nieuwe ritmes op een goede manier te synchroniseren met bestaande ritmes. Wie we zijn als ritme en in relatie tot de ritmes die ons vormen, verandert keer op keer, maar in die verandering zal elke keer iets van herhaling zijn te zien, waardoor zichtbaar wordt dat we als mens altijd onderdeel zijn van een grotere tijdsordening.

De vraag naar de waarde van ritmes wordt niet gesteld zolang het ritme van alledag als vloeiend wordt ervaren. Zolang technologische ritmes synchroon lopen met natuurlijke of sociale ritmes ervaren we het ritme waarbinnen we leven als goed: er is geen reden om ze te problematiseren. Pas als ritmes asynchroon worden, elkaar in de weg gaan zitten, neutraliseren of tegenwerken, worden ze voorwerp van reflectie – en daarmee voorwerp van het denken in termen van goed en kwaad. De moeite die mensen hebben om zich aan te passen aan de overgang van zomertijd naar wintertijd is een voorbeeld van zo’n problematisering: jaar in jaar uit vullen de brievenrubrieken van kranten zich met klachten. De geschiedenis laat zien dat er altijd mengelingen zijn geweest van ‘natuurlijke’, ‘sociale’ en ‘technologisch’ ritmes. Nieuwe technieken namen lichamelijke ritmes of andere natuurlijke ritmes over, of verfijnden ze, om ze vervolgens in een langzaam proces te modificeren. Zo zien we dat de strakke, op de klok gebaseerde tijdsritmes van de middeleeuwse religieuze ordes in de negentiende eeuw werden gepreciseerd, verfijnd, en aangepast aan het menselijk lichaam, waarna ze in gewijzigde vorm werden geïntegreerd in scholen, kazernes en ziekenhuizen om op die manier mensen langzaam te laten wennen aan steeds minutieuzere tijdsindelingen (Foucault, 1975, 152). Tijdsordeningen zijn nooit puur technologisch, of puur natuurlijk geweest; de mens heeft keer op keer naar ritmes geleefd die pasten bij hoe hij op dat moment leefde of wilde leven.

In dat perspectief gezien moeten we de lichtwekker opvatten als een van de vele verfijningen van de tijdordeningen die in een lange evolutionaire geschiedenis zijn ontstaan (Elias, 1984). De lichtwekker is een mooi voorbeeld van een hybride tussen natuur en technologie, tussen de natuurlijke zonsondergang en zonsopgang en de 24 uurskloktijd. Het is een verfijning van de gewone wekker die ons onaangenaam alarmeert dat er een nieuwe dag met nieuwe verplichtingen is aangebroken. De tijdsordenende werking van de lichtwekker is lieflijker en minder opvallend dan die van de gewone wekker, maar juist dat is reden om het onderscheid tussen natuur, technologie en ethiek los te laten en kritisch te doordenken welk ritme de lichtwekker inbrengt en in hoeverre dat ritme bijdraagt aan het ritme dat ons maakt tot wie we op dit moment zijn.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER