Filosofie

De natuur op het nachtkastje

April is de Maand van de Filosofie. Daarom plaatsen we deze maand elke dag een nieuwe tekst of video op Filoblog. Vandaag het eerste deel van een tweedelige serie van Marli Huijer. Van haar hand verscheen eerder bij Uitgeverij Klement het boek Ritme.

Wat een heerlijke manier om wakker te worden! De Wake-Up Light wekt je op natuurlijke wijze door geleidelijk de lichtintensiteit te verhogen. (…) Op de door jou ingestelde tijd word je gewekt door een natuurlijk geluid dat geleidelijk in volume toeneemt en na anderhalve minuut uiteindelijk het niveau bereikt dat je hebt geselecteerd. (…) Je kunt kiezen uit diverse natuurlijke wekgeluiden. Je kunt er natuurlijk ook voor kiezen om door de radio gewekt te worden. (…) De tijd van humeurig wakker worden is voorbij! Kies de wijze van ontwaken die bij
jou past en wordt ontspannen wakker (profilite.com).

Lichtfabrikanten als Philips, Davita of Sensa Medical prijzen hun lichtwekker, ook wel dageraadsimulator genoemd, graag aan met woorden die naar de natuur, naar ontspanning en naar ‘jezelf’ verwijzen. De lichtwekker, die sinds enkele jaren op de markt is, simuleert de zonsopkomst en zonsondergang. Hij zorgt dat het licht ’s avonds langzaam uitdooft, en ’s ochtends geleidelijk zo fel wordt dat het lijkt of de zon door de gordijnen schijnt. De gebruiker kan naar keuze ook nog vogelgekwetter, het ruisen van de zee of het tjirpen
van krekels aan het licht toevoegen. Dat begint zacht en wordt langzaam harder. De lichtwekker brengt de natuur op het nachtkastje. Het gevolg van dat alles is dat je beter inslaapt en ’s ochtends uitgerust en fit wakker wordt, zo stellen de fabrikanten.

De gedachte achter de lichtwekker is dat goede verlichting, op het juiste moment toegediend, met de juiste intensiteit en de juiste kleur, helpt om op tijd naar bed te gaan, goed te slapen, en op tijd op te staan. En, zo stellen Van Bommel en Van den Beld, onderzoekers bij Philips Lighting, goede verlichting bevordert de gezondheid en het welzijn, en leidt tot betere prestaties (snelheid), minder fouten, meer veiligheid, minder ongelukken en minder absentie. Daardoor neemt de productiviteit toe. De bemoeienis van de
lichtontwerpers en -fabrikanten beperkt zich daarom niet tot de slaapkamer. Ook op werkplaatsen, in scholen en bejaardentehuizen wordt geëxperimenteerd met lichtontwerpen die mensen moeten helpen om beter te presteren (van Bommel & van den Beld, 2004, 264).

De lichtwekker zou kunnen worden opgevat als een apparaat dat ons dichter bij de natuur brengt. Of moeten we het beschouwen als een nieuwe vorm van human enhancement, een vorm van mensverbetering? De mens wordt in dat geval verbeterd door het gebruik van een technologisch product dat hem of haar aanpast aan een ritme waarvan wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat het gezonder en gelukkiger maakt, en een prestatieverhogend effect heeft. De mens mét lichtwekker zou beter functioneren dan de mens zonder lichtwekker.

In deze tweedelige serie zal ik laten zien dat het verlangen naar natuurlijke – niet door technologie bedorven – ritmes ingegeven wordt door het door velen verwoorde idee dat de kloktijd en de 24 uurseconomie ons vervreemden van de natuur, en van onszelf. Apparaten die biologische ritmes nabootsen worden aangeprezen in deze taal van vervreemding. Maar de lichtwekker komt tegelijkertijd tegemoet aan het verlangen om de mens puur technologisch te verbeteren. De lichtwekker zou dan een voorbeeld zijn van technieken die de natuur nabootsen met als uiteindelijk doel de kwaliteit van het menselijke leven technisch te verhogen. Beide visies, de natuurlijke versus de technologische, schieten tekort, omdat in ‘biomimetische’ technieken de begrippen ‘natuur’, ‘technologie’ en ‘ethiek’ niet goed van elkaar te onderscheiden zijn:

de natuur komt technologisch tot stand; de technologie op haar beurt wordt aangepast aan de natuur; en zowel ‘natuurlijkheid’ als ‘technologisch’ staan voor een bepaalde normativiteit: ‘goed is wat natuurlijk is’, of ‘goed is wat technologisch is’. Een beroep op ‘de’ natuur, ‘de’ techniek of ‘de’ ethiek helpt daarom niet om ons een oordeel erover te vormen. We zullen op zoek moeten naar woorden of begrippen die passen bij de fundamentele verwevenheid van het technologische, natuurlijke en normatieve. Dat hoeven geen nieuwe begrippen te zijn, het kunnen ook oude begrippen zijn die opnieuw of op een nieuwe manier worden ingebracht. In dit hoofdstuk zal ik het eeuwenoude concept ‘ritme’ opnieuw inbrengen, als een begrip dat op een fundamenteel niveau erkent
dat normativiteit, natuur en technologie samenvallen. Ritme laat zich op vele manieren ervaren: in muziek, in de afwisseling van zomer en winter, in machines, in werk, in verkeer, en in de afwisseling van goed en kwaad. Ritme is niet gebonden aan het onderscheid tussen natuur, technologie en ethiek, waardoor het als begrip
helpt om los van het onderscheid tussen natuur, techniek en ethiek ons een oordeel te vormen over zoiets gewoons als een lichtwekker.

Het verlangen naar natuurlijke ritmes
We leven in een cultuur die door en door technologisch is (Bijker, 1995). Zonder wetenschap en technologie zou ons leven er heel anders uitzien: zonder kunstlicht zou de nacht stikdonker zijn; zonder auto’s, treinen en vliegtuigen zou het leven trager, minder lawaaierig en meer plaatsgebonden zijn; zonder kassen zouden
we alleen in de zomer spinazie eten; zonder verlichting, televisie en internet zou er op de winteravond weinig anders opzitten dan maar vroeg te gaan slapen. De tijd dat het leven in Nederland veel sterker werd bepaald
door de ritmes van de natuur (de afwisseling van dag en nacht, van eb en vloed, van de seizoenen en de jaren), ligt niet zo ver achter ons. Zo was het dorp van mijn ouders, toen ze daar in de jaren twintig van de vorige eeuw werden geboren, nog niet voorzien van riolering, waterleiding en elektra. Hun kinderjaren op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee werden beheerst door de ritmes van de natuur. De stand van de zon en de maan bepaalde het tijdstip en ritme van de dagelijkse verplichtingen. De wisseling van de seizoenen bepaalde wanneer er werd gezaaid of geoogst. De getijden bepaalden wanneer schepen met levensmiddelen en andere goederen de haven binnenvoeren en weer vertrokken. En jaar in jaar uit werden er broertjes en zusjes geboren, want moderne anticonceptiemiddelen waren verdacht en de pil zou nog decennia op zich laten wachten.

Als de dorpsbewoners uit die tijd de keuze zouden hebben gehad, zouden ze dan het door natuurlijke ritmes beheerste dorpsleven hebben willen ruilen voor de technologische cultuur waar wij in leven? Hun antwoord zou ambivalent zijn geweest. In de trant van: ‘Die Deltawerken van jullie beschermen weliswaar het land tegen de zee, maar ze hebben het eiland ook tot een doorgangsroute gemaakt. Niks geen stilte meer. Altijd maar auto’s die langs en door het dorp razen.’ ‘De uitvinding van de pil, waar jullie zo trots op zijn, helpt weliswaar om de geboorte van kinderen te voorkomen, maar ze maakt ook dat vrouwen een man niet meer via zwangerschappen aan zich kunnen binden.’ ‘Waterleiding heeft comfort in huis gebracht, maar elkaar toevallig bij de pomp ontmoeten is er niet meer bij.’ ‘En gas en elektra? Die zorgen inderdaad dat er dag en nacht, zomer en winter, warmte en goed licht is, maar het nadeel is dat alle tijden op elkaar lijken: de nacht lijkt op de dag, de winter op de zomer.’

Je kunt die ambivalentie wegwuiven met het argument dat onze voorouders uit een andere tijd komen. Maar de generaties die nu leven staan niet minder ambivalent tegenover de technologische veranderingen die de cultuur ondergaat. Ze dromen van de beloftes die nieuwe ontwikkelingen in de humane biotechnologie, nanotechnologie, informatie- en communicatietechnologie en cognitiewetenschappen in zich dragen, maar zijn er tegelijkertijd huiverig voor. Utopische visioenen over mensen die lichamelijk en geestelijk worden verbeterd, gaan gepaard met angsten over mensen die monsters, Übermenschen of mengvormen van mens en dier worden. Een verlangen naar steeds beter werkende technologie wordt daarom gecombineerd met een nostalgisch verlangen naar het eerdere, meer ‘natuurlijke’ leven dat generaties voor hen leidden. Moderne technologieën die de natuur nabootsen spelen handig in op dit dubbelzinnige verlangen. Ze herinneren ons aan het natuurlijke leven van weleer, maar doen dat op zo’n manier dat we de duistere, meedogenloze kanten van de natuur vergeten en alleen de vriendelijke en mooie kanten ervan zien. In dagblad Trouw schreef journalist Jan Kuitenbrouwer: ‘Misschien is het effect (van de lichtwekker, mh) vooral psychologisch. Dat zo’n lamp vooral dient om je erop te wijzen dat ergens ver weg, aan de andere kant van de lichtbarrière waarachter wij leven, een kikker kwaakt en de zon opkomt’ (Kuitenbrouwer, 2008). We willen graag opstaan met de zon, maar die moet dan wel op het moment opkomen dat het ons schikt. Waarom willen mensen, die naar redelijke tevredenheid in de  technologische cultuur leven, herinnerd worden aan die andere, ‘natuurlijke’ wereld achter de lichtbarrière? Wat maakt dat we gevoelig zijn voor technologieën of apparaten die ons tot een ‘natuurlijk’ of ‘natuurlijker’ levensritme brengen?

Volgens sommigen (Eriksen, 2003; Rosa, 2005; Hassan & Purser, 2007; Rifkin, 1987; Young, 1988) zou dit verlangen het gevolg zijn van vervreemding: de manier waarop de tegenwoordige samenleving in tijd is georganiseerd zou ons van onszelf hebben vervreemd. We leven 24 uur per dag 7 dagen per week volgens het
strikte en regelmatige tijdsregiem van de klok. Als gevolg hiervan zouden we vervreemd zijn geraakt van de ritmes van de natuur, en daarmee van de ritmes van ons lichaam, onze geest en onze natuurlijke omgeving.
In dit vocabulaire weerklinkt een romantisch verlangen, alsof de eerdere mens, die dicht bij de natuur leefde, veel beter af was dan wij. Eenzelfde ‘vervreemdingsthese’ werd recent verwoord door filosoof Joke Hermsen. In haar boek Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst (2009) stelt ze dat de kloktijd ons ‘opjaagt’, en ons ‘vervreemdt’ van wie we ‘diep van binnen’ zijn. We zouden de kloktijd ‘stil moeten durven zetten’, zodat we achter de kloktijd de ‘andere’, ‘kosmische’ tijd kunnen ervaren: een ‘ware’ tijd die samenvalt met het diepe zelf, met ons innerlijk. De ervaring van die andere tijd, waarin we dichter bij ons zelf zouden komen staan, hangt bij Hermsen nauw samen met het leven in de natuur. Wanneer de schrijfster ter afronding van het boek een zomer lang in een boerengehucht op het Franse platteland verblijft, zonder agenda en zonder verdere verplichtingen, ervaart ze hoe het ritme van de natuur haar dichter bij zichzelf brengt:

De zon komt op en gaat weer onder. Dat is de kosmische klok waarmee je hier leeft. (…) Hoewel ik ’s ochtends niet weet wélke dag het is, voelt deze dag wel als van mij. In plaats van door afspraken en zenuwachtige blikken op de klok opgedreven te worden, voel ik me min of meer samenvallen met een innerlijke tijd. Pas door uit de agenda van de wereld te stappen, kan ik met andere woorden zoiets als een eigen tijd betreden (Hermsen, 2009,
11 – cursivering door mij, mh).

Hermsen staat niet alleen in haar onbehagen over de door kloktijd geregeerde cultuur. Socioloog Michael Young uitte in 1988 in zijn boek The Metronomic Society al zijn zorg over de toenemende controle door de klok en de kalender: ‘Jaren zijn verdeeld in gelijke dagen, dagen in gelijke uren, uren in gelijke minuten, minuten in gelijke seconden, seconden in gelijke nanoseconden: dat zijn de slagen van onze metronomische samenleving’ (Young 1988, 221 – vertaling mh). Die metronomische samenleving verzet zich volgens hem tegen ‘natuurlijke ritmes’: de weerzin ertegen is zo groot, dat mensen ’s winters liever halfnaakt in een goed verwarmd huis rondlopen dan zich met dikke truien of jassen tegen de koude te beschermen. De tegenzin tegen de nacht brengt hen ertoe het licht aan te laten zolang ze hun ogen open hebben. Maar hoe meer de metronomische samenleving mensen dwingt zich aan te passen aan ritmes die tegen de natuur ingaan – hoe meer ze gedwongen worden hun tijd in gelijke delen te verdelen en deze delen efficiënt te gebruiken –, hoe groter de hurry sickness waar ze aan lijden.

De enige remedie, zo meent Young, is om ‘geduld weer tot een deugd te maken’ en tijd weer als ‘de belangrijkste dimensie van de menselijke ecologie’ te beschouwen. Dat vraagt dat we aandacht hebben voor
tijden die anders – minder regelmatig, minder gelijk, meer natuurlijk en meer betekenisvol – zijn dan de technologische kloktijd (Young 1988, 260-261). Ook socioloog Jeremy Rifkin constateerde in Time Wars (1987)
al dat klokken en kalenders, en in toenemende mate computerprogramma’s, de ritmes van de natuur opslokken. De ‘kunstmatige ritmes’ van de ‘overhaaste cultuur’ staan, zo schreef hij, lijnrecht tegenover de ‘organische ritmes’ van de natuur. Ook hij riep ertoe op de heersende, conventionele tijdbeleving stil te zetten. De organisatie van tijd zou in overeenstemming moeten worden gebracht met de ‘tijdsoriëntatie van de natuur’: ‘De natuur moet niet onderworpen worden aan de technologische infrastructuur, maar technologische en sociale tempo’s moeten geïntegreerd worden in de natuurlijke tempo’s van het milieu’, aldus Rifkin (1988, 242 – vertaling mh).

Het pessimistische vocabulaire dat Young en Rifkin gebruik ten om de huidige tijdscultuur te duiden, is de afgelopen decennia in steeds weer andere woorden opgedoken. Zo windt de Noorse antropoloog Thomas Hylland Eriksen zich in Tirannie van het moment. Onze strijd tussen snelle en langzame tijd (2003/2001) erover
op dat we elk gat in de tijd vullen met steeds weer nieuwe, belangrijke bezigheden. Net als Hermsen nu, houdt hij een pleidooi voor ‘langzame tijd’. De Duitse filosoof Hartmut Rosa gaat in Beschleunigung. Die Veränderung
der Zeitstrukturen in der Moderne (2005) nog een stapje verder. Naar zijn mening is de sociale versnelling in de moderniteit tot een ‘zichzelf aandrijvende kracht’ geworden die de versnelling van het levenstempo, de versnelling van sociale veranderingen en technische versnellingen tot een steeds hoger niveau opdrijft
(Rosa, 2005, 243). Als gevolg van deze versnellingen neemt de schaarste aan tijd steeds verder toe. Zo stevenen we af op een ‘finale catastrofe’. Aan de noodrem trekken, wat Hermsen het stillen van de tijd noemt, is volgens Rosa slechts een tijdelijke noodoplossing.

Hij noemt het een kort moment van autonomie, een moment om even buiten de versnelling te stappen en contact te hebben met het ware zelf. Maar meer dan dat zit er volgens hem niet in, want dat zou betekenen dat we uit onze eigen geschiedenis moeten stappen. En dat is onmogelijk, aldus Rosa (2005, 488-489). In Nederland klinkt al meer dan tien jaar uit diverse bronnen onbehagen op over de versnelling van het levenstempo. ‘Het mag wel wat trager’, schreef socioloog Dick Pels in een pleidooi om de Nederlandse ‘tragere’ identiteit te verdedigen ‘tegen de tempoverhogingen die ons van alle kanten worden opgedrongen door de
economische en culturele globalisering’ (Pels, 2003, 27). Invoering van de 24 uurseconomie, zoals econoom Arnold Heertje begin jaren negentig bepleitte, leidde eind jaren negentig tot een grote actie, waarbij tegen de verhaasting en de stress werd geprotesteerd en collectieve momenten van rust en ontspanning werden geëist.
Men wilde op normale tijden werken, en niet geleefd worden (Jansen & Baaijens, 2006, 2).

De toenmalige minister van vrom riep haar ambtenaren zelfs op tot ‘onthaasting’: minder jachten, prioriteiten durven te stellen en meer tijd nemen om na te denken. Deze gebeurtenissen en vocabulaires hebben Nederland de afgelopen jaren als het ware rijp gemaakt voor technologieën als de lichtwekker. Gezien de vele en gevarieerde uitingen van onbehagen over de door de kloktijd geregeerde cultuur verwondert het niet dat veel burgers en consumenten verlangen naar de natuurlijke ritmes van weleer. Terug naar af is echter geen haalbare optie, dat zouden we ook niet willen, maar het zoveel mogelijk terugbrengen of nabootsen van natuurlijke ritmes kan wel. Wie wat langer nadenkt over de idee van vervreemding, kan er echter niet omheen dat in dit vocabulaire natuurlijke ritmes lijnrecht tegenover technologische ritmes (kloktijd) worden gesteld. Natuur en technologie worden opgevat als twee afzonderlijke domeinen, die twee afzonderlijke, elkaar bijtende vormen van tijd met zich meebrengen. De eerste, de natuurlijke tijd, wordt gerelateerd aan het goede of eigene; de laatste, de technologische kloktijd of computertijd, aan het kwade of vreemde.

Deel:
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie