Filosofie

De profeet van Frankfurt

Negatieve dialectiek is een zeer moeilijk boek. Dat heeft niet alleen met de erin ontwikkelde ideeën te maken, maar ook en vooral met de schrijfstijl. Alsof Theodor W. Adorno (1903-1969) daadwerkelijk wilde bewijzen wat hij uiteenzet: dat een totaal begrip onmogelijk is. Dat laatste maakt één van de centrale stellingen van het boek uit. Al in de eerste bladzijden distantieert Adorno zich van de eeuwenoude opvatting die denken en identificeren gelijkschakelt. Over iets, een ding in de werkelijkheid, nadenken houdt in dat men het wezen (of de essentie) van dat ding wil begrijpen, dat men de eenheid van begrip en ding wil bewerkstelligen en zich op die manier dat ding begrippelijk of conceptueel wil toe-eigenen. Het grijpen dat in ‘begrijpen’ schuilt, moet dus letterlijk worden genomen: iets willen begrijpen is iets in de greep willen krijgen en overmeesteren. Dat is van in het begin de droom en het programma geweest van de filosofie, sinds Parmenides van Elea in de vijfde eeuw voor Christus de identiteit van denken en zijn proclameerde. Die droom is uitgekomen: het programma is volledig uitgevoerd in het encyclopedisch systeem van Georg Wilhelm Friedrich Hegel, dat de eenheid van het werkelijke en het rationele poneert. Adorno trekt van leer tegen dat filosofische programma en ontmaskert het als gevaarlijk: het identificerende denken legt een totalitaire claim op de werkelijkheid. Het verwondert hem dan ook nauwelijks dat de westerse cultuur, die volledig door het conceptuele denken in beslag genomen is, in de barbarij van het totalitarisme uitgemond is. De dodelijke waarheid van het denken dat identiteiten instelt en geen alteriteit toestaat of erkent, is in de vernietigingskampen van nazi-Duitsland aan het licht gekomen.

Adorno staat met deze bedenkingen niet alleen. Die kritiek werd in de loop van de twintigste eeuw door meerdere filosofen verwoord: misschien voor het eerst door Martin Heidegger, later ook door Emmanuel Levinas, Hannah Arendt en Jacques Derrida. In hun spoor is een filosofie ontstaan die de bestaande metafysica (van Parmenides tot Hegel) wil deconstrueren of ontmantelen. Maar Adorno lijkt nauwelijks of geen weet te hebben van deze geestesgenoten. Sterker nog, hij richt zijn pijlen niet alleen op de westerse filosofie in haar geheel en op de laatste machtige representant ervan, met name het Duitse Idealisme van Johann Gottlieb Fichte en Hegel, maar ook op Heidegger. Hij verwijt ook Heidegger dat die een filosofie van de identiteit heeft uitgewerkt. Voor wie in overweging neemt dat Heidegger het onophoudelijk gehad heeft over de ontologische differentie en over de verborgenheid van het zijn en zo wellicht als eerste het zogenaamde differentie-denken heeft in gang gezet, is dit ronduit choquerend. De vijandige houding van Adorno heeft uiteraard te maken met Heideggers betrokkenheid bij het nationaalsocialisme: Adorno presenteert Heidegger als een (of de) nazifilosoof, en beroept zich voor deze categorisering meer op Heideggers verleden dan op zijn geschriften. Anders gezegd, hij leest Heideggers geschriften alsof die niets meer bevatten dan de officiële nazi-ideologie en alsof die haarfijn Heideggers politieke vergissing uitleggen. Hij ligt op die manier mede aan de basis van een al decennia aanslepende reductionistische lectuur van Heideggers werk, die er niet voor terugschrikt de analyses uit Sein und Zeit (1927) in het verlengde te plaatsen van het gebral uit Mein Kampf (1925). Hoe onverteerbaar het geval Heidegger ook blijft, we hadden hier toch op meer onderscheidingsvermogen gehoopt. Nogmaals: in zijn verblinding legt Adorno aan Heidegger opvattingen ten laste die Heidegger zelf bestrijdt. Niet alleen de hoger genoemde gelijkschakeling van denken en identificeren is hiervan een voorbeeld, maar ook Heideggers door Adorno gelaakte filosofie van de eigenlijkheid of authenticiteit. Adorno ziet daarin een cultus van het zelf die een ongebroken identiteit voorstaat, terwijl bij Heidegger de klemtoon precies ligt op openheid en onbevangenheid: wie een authentiek bestaan leidt, klampt zich volgens Heidegger helemaal niet vast aan zichzelf; het is net andersom: wie in inauthenticiteit leeft, is op zichzelf gefixeerd en streeft ernaar met zichzelf samen te vallen.

Zoals het woord zelf suggereert, is de negatieve dialectiek die Adorno voor ogen staat, bovenal gericht tegen de systematische dialectiek van Hegel. Binnen die systematische dialectiek leidt elke negatie tot een nieuwe synthese en identiteit. Adorno wil die dialectiek ontregelen en is op zoek naar een negativiteit die geen synthesen voortbrengt en niet werkt, of een negativiteit die niet in positiviteit omslaat. Hij gaat voorbij aan de mogelijkheid dat die niet-systematisch werkende negativiteit woekert en zich uitzaait, dat ze niet in een positieve identiteit uitmondt, maar een onberekenbare veelheid van sporen trekt. In de jaren zeventig zal Derrida het woord disseminatie gebruiken om deze beweging te beschrijven.

Lees meer en doe mee aan de levendige discussie over dit artikel.

Deel:
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie