Die robot gaat ons krenken

0
1

Dit artikel is het derde en laatste deel van Jos de Mul over filosofie en techniek. De twee eerdere delen werden gepubliceerd in Letter & Geest. U kunt ze ook op Filoblog nalezen (deel een, deel twee).

Schoorvoetend maakt de androïde robot zijn entree in de publieke en private ruimte, waar hij mee gaat doen aan het menselijk verkeer. Vooralsnog gebeurt dat vooral in landen als Japan, waar zulke robots die op mensen lijken worden ingezet voor zorgfuncties of als gidsen op drukke trein- en metrostations. Ook in de vermaaksindustrie draaien ze mee. Zoek Miim op YouTube en zie haar zingen met een ‘meidengroep’, dansen op een expositie en als mannequin bruidsmode showen.

De uiterlijke gelijkenis met mensen is opmerkelijk. Toch zul je ze door hun houterige gedag en beperkte handelingsrepertoire niet snel voor een echt mens verslijten. Maar door de snelle ontwikkelingen in de robotica roepen ze wel talloze vragen op. Krijgen robots ooit bewustzijn en emoties? En een vrije wil? Hoe kom je erachter of je met een bewuste robot van doen heb of slechts met gesimuleerde emoties en wilsbesluiten? Is vriendschap met een robot mogelijk? En seks ermee hebben, is dat verwerpelijk? Gaan robots ons overvleugelen, vernietigen zelfs? En waarin verschillen wij eigenlijk van robots?

De Zweedse serie ‘Real Humans’ – in 2013 te zien geweest op de Nederlandse tv ­- laat ons over dergelijke vragen nadenken. Deze sciencefictionserie speelt in het Zweden van nu, met één groot verschil: er wonen niet alleen mensen, maar ook hubots. Ze lijken op echte mensen, maar het zijn geestloze robots die je herkent aan hun felblauwe ogen en stereotiep gedrag. Ze vervullen allerlei functies: ze werken als fabrieksarbeiders, als hulp in de huishouding, als gezelschapsdame of -heer voor ouderen, maar ze blijken ook heel populair te zijn als sekspartner. Helaas brengen ze naast verlichting en vertier ook de nodige problemen en verwarring met zich mee. Niet in de laatste plaats doordat een geniale geleerde een computercode heeft ontwikkeld die sommige hubots zelf­bewustzijn, emoties en een vrije wil verschaft.

Van oudsher wordt zelfbewustzijn gezien als een van de belangrijkste kenmerken van de mens. Waar planten leven en dieren hun leven beleven, daar is de mens in staat ook nog eens zijn beleven te beleven. Hij is zich bewust van zijn eigen bestaan en kan daarop reflecteren. De vraag wie of wat hij is, waar hij vandaan komt en wat er voor hem in het verschiet ligt, plaagt hem daardoor onophoudelijk.

Darwins evolutiedenken heeft de unieke positie van de mens danig ondergraven. We zijn veel nauwer verwant aan andere dieren dan we in ons trotse zelfbewustzijn meenden. Niet alleen delen we meer dan 98 procent van ons DNA met de chimpansee, ook ons zelfbewustzijn blijkt niet uniek meer te zijn. Chimpansees, dolfijnen en olifanten herkennen zichzelf in de spiegel en dat wijst op een bepaalde vorm van zelfbewustzijn.

Nadat Copernicus de menselijke trots al een knauw had gegeven door aan te tonen dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is, betekende deze tweede krenking dat we ons maar een beetje onderscheiden van de andere dieren. En Freud voegde daar, zoals hij niet al te bescheiden opmerkte in zijn ‘Inleiding in de psychoanalyse’, nog een derde krenking aan toe: slechts een klein deel van onze gedachten is bewust, de meeste psychische processen verlopen onbewust. Ons zelfbewustzijn, zei Schopenhauer al, is niet meer dan een klein lichtje dat de machtige levensdriften af en toe ontsteken om zichzelf bij te lichten.

Het kan nog erger. De ontwikkeling van de robotica heeft een vierde krenking voor ons in petto. De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett stelde in deze krant (Letter&Geest, 11 januari) dat mens en computer eigenlijk niet zoveel van elkaar verschillen. Volgens hem overschatten we ons bewustzijn schromelijk; we zijn niet meer dan een ‘vochtige robot’, niet gemaakt van silicium en staal, maar van vlees en bloed.

Wat opvalt aan de menselijke zelfreflectie, is dat men bij de poging de mens te definiëren heel vaak vergelijkt met het niet-menselijke. Filosofen hebben (net als sprookjesschrijvers trouwens) de mens altijd al graag met dieren vergeleken. Plato noemde de mens een ongevederde tweevoeter. Dat vond de cynicus Diogenes niet zo’n gelukkige beeld. Hij rende naar de markt, kocht daar een geplukte haan en wierp die voor Plato’s voeten: “Zie hier de mens van Plato!” (Een hedendaagse Diogenes snelt na het lezen van Dick Swaabs ‘Wij zijn ons brein’ naar de slager om anderhalve kilo hersenen te kopen.) Aristoteles stelde dat de mens voeding en groei deelt met de plant, en waarneming met het dier, maar zich van beide onderscheidt door de rede. Ook de vergelijking van de sterfelijke mens met de onsterfelijke goden is een populaire strategie.

Opvallend is bovendien dat in de moderne tijd ook machines en andere menselijke maaksels vergelijkingsmateriaal zijn. Zo stelde Descartes in de zeventiende eeuw dat dieren niets meer zijn dan ingewikkelde machines; de mens heeft een immateriële geest. De Franse verlichtingsfilosoof La Mettrie ging in ‘De mens een machine’ (1748) nog een stap verder: ook de mens is niets anders dan een ingewikkeld apparaat. Lees verder op de website van Jos de Mul.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER