Filosofie

De sirenenzang van de mythe

Onderstaande boekbespreking van Tijdmachines van René Munnik is met toestemming overgenomen uit het tijdschrift Filosofie en Praktijk. De recensie is geschreven door Petran Kockelkoren. Het komende nummer van Filosofie en Praktijk bevat een repliek door René Munnik. Na verschijnen van dit nummer kunt u het repliek ook op Filoblog nalezen.

 

Er zijn van die boeken die hooggespannen verwachtingen wekken, als ze je voor het eerst in handen vallen. De auteur grijpt problemen aan waar je zelf in bleef steken en opent vergezichten waar jij vergeefs aan de luiken rammelde. Als hij dan ook nog vloeiend literair Nederlands schrijft, in plaats van in boekhoudkundige termen filosofie te beoefenen, kun je deze vondst alleen nog maar snel afrekenen en mee naar huis nemen. Zo’n boek schreef René Munnik. Meestal voltrekt zich thuis echter de ontgoocheling. Je komt in de buurt waar je wezen wilde, maar dan neemt de auteur een andere afslag dan je hoopte en verwachtte. Naast alle voldoening  houd ik zulke aarzelingen ook. Het blijft een boeiend boek, maar er is nog ampel ruimte voor discussie.

‘Tijdmachines’ is inderdaad prachtig geschreven. En zeker tweederde van het boek beantwoordt aan alle verwachtingen. De eenderde waar ik aarzelingen bij heb, zit niet door het hele boek geregen, maar gaat kloek aan de core-business vooraf. Waar gaat het over? In zijn boek gaat René Munnik op zoek naar de drijfveren van de technische ontwikkeling. Gaat het om beheersing van de natuur, of om macht, eer en gewin? Munnik komt uit op een opmerkelijk motief: de technische innovaties van de laatste eeuwen draaien allemaal om de bezwering van dood en vergankelijkheid. Hij toont dat aan in een reeks hoofdstukken die elk aan een specifieke techniek zijn gewijd.

Achtereenvolgens passeren het alfabet, audiotechniek, fotografie en fim de revu. Vervolgens zwaait het zoeklicht naar zoögrafie, waaronder de rubrieken vallen van de elektrificatie van het lichaam, het weer tot leven wekken van dinosaurussen (biogenetische opstandingsfantasieën) en onsterfelijkheidsdromen (cryogene conservering van dode lichamen tot hun toekomstige wederopwekking). Tenslotte staan de mobiliteits en telecommunicatietechnieken in de schijnwerper. Al deze hoofdstukken, die zoals gezegd twee derde van het boek vullen, bieden weergaloze en lichtvoetig beschreven gevalsstudies. Om die reden is het boek voor alle geïnteresseerden in de technologische cultuur verplichte kost, die ook nog eens geweldig plezier verschaft. Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord waar de gevallen ‘gevallen’ van zijn?

Wat demonstreren de gevalsstudies precies? Dat is de vraag waarover René Munnik zich achteraf eveneens het hoofd heeft gebroken. Maar de resultaten van dat hoofdbreken liet hij niet volgen op het verzamelde historische materiaal, maar hij plaatste ze uiteindelijk eraan voorafgaande, zodat ze niet meer als bespreekbare conclusies worden opgevoerd maar eerder als dwingende hypothesen, waarvoor de latere hoofdstukken post festum de bewijzen moeten aandragen. En dat is jammer, want in de gevalsstudies zit een veel grotere rijkdom aan interpretatiemogelijkheden dan ze in het opgedrongen keurslijf kunnen prijsgeven. Ze mogen van de auteur niet meer in alle speelsigheid voor zichzelf spreken, maar krijgen eerst honderd bladzijden lang met de zweep. Begin daarom als lezer met hoofdstuk drie en trek uw eigen conclusies voordat u die toetst aan die van de schrijver.

Een fraaie illustratie van de verrassende verbanden die René Munnik legt, bieden de overeenkomsten die hij signaleert tussen de Middeleeuwse Thomistische bespiegelingen over het opstandingslichaam en de avatar uit computergames. Het opstandingslichaam is het herstelde lijf dat volgens de Christelijke leer bij de Apocalyps uit het graf rijst. Middeleeuwse theologen hebben ijverig gespeculeerd over de hoedanigheden van dit verheerlijkte lichaam, dat op tal van punten afwijkt van het ons vertrouwde sterfelijke onderkomen van de ziel. Thomas van Aquino noemt in navolging van Augustinus een viertal lichaamsgaven die toekomen aan het uit de dood herrezen lichaam. Dat nieuwe lichaam is niet langer vatbaar voor corruptie en infectie en ook niet meer onderhevig aan pijn en lijden, het is een lichaam doorschijnend als kristal dat een helder licht uitstraalt, het kan zich nagenoeg ogenblikkelijk verplaatsen van de ene plek naar de andere, en wordt niet opgehouden door materiële barrières want die kan het gewoon doordringen en passeren. Het is een vondst van Munnik om in de avatar uit computerspelletjes, die eveneens transparant over het oplichtend scherm dartelt, het technisch gerealiseerde opstandingslichaam te herkennen (§ 191).

Van dit soort opmerkelijke staaltjes biedt René Munnik er talloze. Lees bijvoorbeeld § 113, getiteld ‘zingen uit het graf’ over de bestendiging van de stem van Caruso, die uitmondt in een exposé over de vervormende herhaalbaarheid in het voetspoor van Derrida, of laat je meetronen in § 216, ‘Marcel Proust: telefoneren vanuit de Hades’. Telkens laat Munnik zien dat techniek behalve de instrumentele toepassing van formules ook een culturele component vertoont van beelden en verwachtingen, die allemaal hun neerslag vinden in het ontwerp, de uitvoering en het gebruik van het eindproduct. Technische apparaten ‘werken’ niet alleen, maar ze vormen ook ingeloste beloftes van almacht en onsterfelijkheid. Opeenvolgende generaties van technieken vormen even zovele gerealiseerde mythen.

Dat techniek niet alleen wetenschappelijk is gefundeerd maar ook een mythische voedingsbodem heeft kan men als een bevrijdend inzicht huldigen of verontwaardigd verwerpen, afhankelijk van hoe men de verhouding van wetenschap en mythe denkt. Traditioneel modern gezien is de mythe een vorm van narratieve wereldverklaring die is achterhaald door de opkomst van de op mathematica gestoelde wetenschap. Niet iedereen is het daarmee nog steeds eens. Cornelis van Peursen brak al in zijn boek ‘Strategie van de Cultuur’ uit 1970 een lans voor de actualiteit van de mythe.

Van Peursen onderscheidt drie vormen van wereldbenadering, elk met zijn eigen geldigheid: de mythisch/magische verbeelding, de ontologisch/substantiële berekening en de functionalistisch/operationele procesgang.  Ze komen ons alle drie van pas: de mythe om de wereld middels een personificerende voorstelling van krachten (goden en demonen) herbergzaam te maken, de ontologie (waarop het Newtoniaans mechanicistische wereldbeeld is gebaseerd) om de klok gelijk te kunnen zetten en treinen te laten rijden, de functionaliteit om relaties en processen modelmatig te kunnen articuleren. Als je het zo bekijkt is de mythe niet een gepasseerd station op een culturele ontwikkelingsweg maar een blijvend substraat waaruit we altijd, desnoods tegen wil en dank, in onze alledaagse oriëntaties blijven putten. De grote opgave luidt in dat geval niet om eindelijk de laatste sporen van de mythe uit wetenschap en techniek te wissen, maar om een vlucht naar voren te maken: de mythe moet op allerlei verborgen plaatsen waar je ze niet verwacht, worden geëxpliciteerd en geactualiseerd. Zo denkt René Munnik daar niet over. Hij brengt weliswaar met verve de onuitroeibare mythische component van techniek aan het licht, maar hij zucht daar onder.

In de achteraf geschreven preambule zegt René Munnik waar het wat hem betreft op staat: “In de mate waarin we gaandeweg meer ontnuchterd raken en onze werkelijkheid verder en verder duiden binnen een wetenschappelijk perspectief en inrichten naar de technisch-wetenschappelijke

mogelijkheden, in precies dezelfde mate zal de werkelijke wereld die we realiseren de trekken gaan vertonen van een gerealiseerde mythische belevingswereld. Ik bedoel dat vrij letterlijk: daarin zullen de scherpe grenzen weer gaan wegvallen tussen dromen en waken, tussen schijn en werkelijkheid, tussen dieren en mensen, tussen de levenden en de gestorvenen. Deze mythische grensvervagingen hangen onmiddellijk samen met de wetenschappelijke en technische rationaliteit waarmee we de wereld inrichten.” (p. 20-21). Munnik is er niet blij mee. Hij blijft in het hele boek op ditzelfde aambeeld hameren, met een gevoel van verlies: “Is gaming niet het zich inlaten met ongeziene werelden waartoe ook de mythen toegang boden? Is een dergelijke mythische inslag niet waarneembaar in de vormgeving van computerspelen en virtual environments, en in de special effects van sciencefictionfilms? Verliezen de schriftreligies in een multimediacultuur niet hun voet aan de grond ten gunste van een polytheïstische voorstellingswereld?” (p. 235).

Waar is hij ‘in Godsnaam’ bang voor? Wat hij zegt is waar: inderdaad heeft de wetenschappelijke ontmythologisering sinds de doorbraak van de moderniteit contra-intuïtief een horde aan hybrides opgeleverd, wat Munnik ‘grensvervagingen’ noemt. De ontmythologisering baart paradoxalerwijze mythische monsters; ze heten onder andere ‘onco-mouse’ en ‘cyborg’. Toch hoeft dat ons niet echt te verbazen. De wetenschapsfilosoof Bruno Latour schreef in 1991 ‘Wij zijn nooit modern geweest’ (Van Gennep 1994). Hij betoogt dat terwijl de wereldbeelden van premoderne samenlevingen wemelden van de hybriden, de moderniteit zich juist programmatisch daarvan wilde bevrijden. Het moderne denken brengt radicale scheidingen aan tussen subject en object en tussen mens, dier en ding. Desondanks steken hybrides in groter getale dan ooit de kop op. Om die reden meent Latour dat het moderne zuiveringsprogramma heeft gefaald en dat we dus nooit modern zijn geworden. Zijn antwoord op deze situatie is echter niet kapitulering. Hij laat zich niet verleiden tot een relativistisch postmodernisme, maar hij herschrijft liever het moderne programma door een nieuw denkschema op te stellen dat beter in staat is om hybridisering te accomoderen, namelijk de actor-netwerk theorie.

In plaats van de strenge subject-object scheiding propageert Latour het denken in termen van lange ketens van mensen, dieren en dingen die onderling zijn verbonden in complexe samenstellingen van gedistribueerd actorschap (of ‘agency’). Hybriden zijn in deze voorstellingswijze geen uitzonderingen op de regel maar vormen eerder het uitgangspunt van iedere regulering. Volgens Latour worden we zodoende echter niet veroordeeld tot een terugval in een verkapt premodern polytheïsme. Explicitering van hybriden schept veeleer een nieuwe denkruimte. We denken niet langer in termen van gescheiden machten en krachten, maar zoeken de overgangen en bemiddelingen op en die zijn juist te vinden in de gebieden van de zogenaamde mythische grensvervaging. Die moet je omhelzen.

Latour is een uitgesproken mediatiefilosoof. Hij laat zien hoe technische artefacten worden ingelijfd en hoe ze vervolgens de relatie tussen verschillende actoren bemiddelen. In de technische artefacten zijn allerlei toekomstvisioenen neergeslagen en daarmee zijn ook morele standpunten naar de artefacten gedelegeerd. Latours’ voorbeelden zijn overbekend. De verkeersdrempel stuurt het gedrag van automobilisten beter door middel van materiële mediatie dan voorschriften en verkeersborden dat kunnen doen. De veiligheidsgordel kermt net zo lang tot de bestuurder hem omgordt en zodoende voldoet aan de gestelde norm. Mensen zijn tegenwoordig niet minder moreel georiënteerd dan vroeger, maar de moraal heeft zich verplaatst van verbale deliberatie naar materiële mediatie. Moraal appelleert voortaan aan de zintuigen.

René Munnik heeft zich de mediatiefilosofie door en door eigen gemaakt. Niet alleen die van Latour, maar ook die van de postfenomenoloog Don Ihde (die op een parallel spoor zit) en die van Donna Haraway, de cyborgfilosofe. Geen van drieën komt in het persoonsregister van ‘Tijdmachines’ voor, maar het boek is geheel geïmpregneerd door hun werk. In 1993 leverde René Munnik een bijdrage aan het overzicht van Amerikaanse techniekfilosofen ‘Van stoommachine tot cyborg’, gepubliceerd onder redactie van Hans Achterhuis. Onder het motto ‘Cyborgs for earthly survival?’ behandelde Munnik het werk van Donna Haraway. Zij werd vooral bekend door haar Cyborg-Manifest (1985).

De cyborg – de term is een samenvoeging van ‘cybernetica’ (digitale sturing) en organisme (of ‘wetware’) – is de hybride bij uitstek. Hij is niet geboren maar gemaakt. Om die reden heeft hij part noch deel aan de religieuze scheppingsmythen die de mens via een levensdraad van generaties verbindt met het oerpaar uit het paradijs. De cyborg staat buiten ieder oorsprongsdenken. Er kan ten aanzien van de cyborg evenmin sprake zijn van heelheid, zondeval en herstel. Hij valt dus ook buiten eschatologie of uiteindelijke verlossing. Aangezien wij door inlijving van allerlei prothesen ongeweten allemaal al lang cyborgs zijn, hebben we de navelstreng die ons met het oerbegin verbindt doorgeknipt. Ook ons passen de oude filosofische vermaningen en beloften niet meer. Haraway introduceert de cyborg-figuur daarom als kritisch ‘conversation piece’, letterlijk als speculum of denkgereedschap ter speculatie, zoals Munnik zegt. Zo’n speculum moet een conceptueel breekijzer zijn, dat een denkstijl op scherp zet en kan doen kantelen. De cyborg zet alle overgeleverde denkstijlen op losse schroeven. Hij is de ultieme grensvervager en daarom tevens de nieuwe mythische held van onze tijd, in de film vereeuwigd als Robocop en Terminator. Zijn literaire biotoop is de cyberpunk en de steampunk.

Vergeleken bij de eerder genoemde denkers die de cyborg al snel als nieuwe kompas-oriëntatie omhelsden, desnoods ‘ex negativo’ als dystopie, trapte René Munnik destijds veeleer op de rem. Ook toen al sloeg hij de thema’s aan die in zijn latere boek nog meer op de voorgrond zouden treden, namelijk het verlies – door toedoen van de technische rationaliteit – van het onderscheid tussen leven en dood en tussen zinnelijke weerstand en virtuele wrijvingloosheid. Hij heeft de sirenenzang van de mythe gehoord maar zich laten vastbinden aan de mast. Anders dan bijvoorbeeld de Nederlandse techniekfilosoof  Jos de Mul, die met de gehesen cyborgvlag ver voor de troepen uitloopt (getuige zijn ‘Cyberspace Odyssee’, Klement 2002), houdt Munnik zijn reserves. Men kan hem echter geen ouderwets instrumentele techniekopvatting aanwrijven volgens welke techniek van buitenaf invasief zou zijn en ons zou vervreemden, ontheemden, ontwortelen van onze oorsprong.  Die denkstijl heeft voor hem afgedaan. In zoverre is hij het helemaal eens met Haraway. Hij denkt als eigentijds mediatiefilosoof. Maar wat weerhoudt hem dan van de modieuze vlucht naar voren in navolging van onder anderen Van Peursen en Latour?

De sleutel tot René’s aarzeling is te vinden in de eerste ‘onsterfelijkheidstechniek’ die hij beschrijft; het alfabet. Het is al opmerkelijk dat hij het alfabet op de noemer van techniek brengt. Maar inderdaad is het alfabet een uitvinding die kennisoverdracht op kunstmatige manier faciliteert. Het schrift tilt de kennisverwerving boven de opeenvolging van generaties uit. De filosoof Plato verzette zich al tegen het schrift, dat ten koste zou gaan van de orale traditie en haar geheugentechnieken. De overdracht van wetenschappelijke kennis volstrekt zich via het schrift, maar haar ambivalente uitwerking van zowel tijdsoverstijging als werkelijkheidsvervluchting, krijgt schriftelijke kennis pas zodra ze de mathematische modelvorming adopteert.

De adoptie van de mathematica door de taal geschiedt via metaforische preparering: als je zegt ‘licht reist rechtlijnig’ staat dat de toepassing van de stelling van Pythagoras toe bij het uitrekenen van de hoogte van een muur door het meten van de lengte van haar schaduw. Maar wat beweer je eigenlijk als je zegt dat licht rechtlijnig reist? Wat reist er dan? De metafoor slaat een brug die weliswaar berekening mogelijk maakt maar die ook tot nieuwe vragen en verlegenheden aanleiding geeft. Het schrift gaat zodoende een huwelijk aan met het mathematisch op formule brengen van natuurverschijnselen.

René Munnik acht het verbond tussen geschreven taal en mathematische formulering een op zijn best ambivalente zegen. Ik citeer de opgegeven reden: “Een mathematische beschrijving van een werkelijk feit verschilt in niets van die van een fantasie. Men kan op grond van een wiskundig juiste representatie geen enkel oordeel vellen over de werkelijkheidsstatus van de dingen waarop ze betrekking heeft (p.24)”. En even verderop: “Rationalisering betekent verwetenschappelijking. Gesteld dat dit juist is, dan leidt dat tot een paradoxale conclusie: voor zover de dingen het object zijn van een rationele wetenschappelijke beschouwingswijze, verschijnen ze in een wiskundig formalisme, dus als uitdrukking van een mathematische structuur. Maar juist voor zover ze uitdrukkingen zijn van een mathematische structuur, valt de mogelijkheid weg om uit te maken of deze objecten werkelijk zijn, of de inhoud van een droom (p.25)”.

René Munnik ziet verwetenschappelijking onder mathematisch voorteken als een tweesnijdend zwaard. We boeken daarmee de ene overwinning na de andere op de vergankelijkheid, maar de werkelijke wereld vervluchtigt en verdampt intussen onder onze handen. Citaat: “Wanneer iemand zijn wereld volgens mathematische beginselen inricht, ondergaat hij in feite een mythische grensvervaging. Dan gaat zich, met andere woorden, aan hem een wereld tonen waarin het verschil tussen dromen en waken, tussen schijn en werkelijkheid gaandeweg afkalft en zinloos en gewichtloos wordt… Zijn wetenschappelijke rationaliteit zadelt hem op met een onmodern probleem. De rationele argumentatie baart een mythische beleving die zich aan die argumentatie onttrekt” (§ 11, De protohypothese, p. 28).

Het kost mij grote moeite om hierin mee te gaan, al is het maar terwille van de argumentatie. Toegegeven, mathematische modellen en formules zijn onverschillig voor wat er met een metaforische sprong in wordt uitgedrukt. Het maakt niet uit of je in een functievergelijking voor de aangegeven x, y, z het enzymsysteem van de spijsvertering invult of dat je de afdelingen en filialen van de Albert Heyn substitueert, zolang dat per geval maar nuttige informatie oplevert. Maar dat betekent toch nog niet dat daardoor de referenten vanzelf deel gaan nemen aan de onverschilligheid van het model? Volgens Munnik wordt de onverschilligheid echter wel degelijk gematerialiseerd in de technische realisatie en wordt ze vervolgens ook geïnternaliseerd gedurende het gebruik. Hij ziet het overal gebeuren, bijvoorbeeld in het human genome project waarin levende eigenschappen worden herleid tot datareeksen, streepjescodes, informatie en eveneens in computer gaming waarin de avatar weliswaar sacrale trekken krijgt maar niet meer kan lijden en sterven.

Wat zich hier wreekt is een contaminatie van filosofische vocabulaires of taalspelen. De mediatiefilosofie heeft haar antecedenten in de pragmatiek en in de fenomenologische c.q. hermeneutische traditie. Die laatste variant heeft zich vernieuwd door de optie te verkennen van een technologische hermeneutiek. Men kan betekenis ontsluiten door de mediërende apparaten heen. De tussenliggende technieken stellen in staat tot een grotere ontvankelijkheid dan het blote oog verleent. Tegelijkertijd zit er echter nog een andere dominante streng in de fenomenologische afstammingslijn, namelijk de Husserliaanse kritiek op de mathematisering, zoals neergelegd in diens Die Krisis der Europäischen Wissenschaften uit 1936. Daar heet het dat wetenschap de wereld onderwerpt aan een mathematische reductie. Ze ‘objectiveert’ de wereld methodisch. En aangezien de alledaagse ervaring wordt gekoloniseerd door een incrementeel proces van verwetenschappelijking, dreigen we allen ten prooi te vallen aan werkelijkheidverlies. “Terug naar de zaak zelf!”, is het devies. Maar als je de latere mediatiefilosofie tot je laat doordringen, is die gepropageerde terugweg intussen onmogelijk gemaakt. Onze toegang tot de wereld is immers altijd gemedieerd. Zo is de condition humaine. Er is geen bypass buitenom, geen onbezoedelde terugkeer tot de ‘oorspronkelijke zaak zelf’ mogelijk.

René Munnik beseft het antropologisch dilemma maar al te goed. Door niettemin aan de beide horens van de fenomenologie en de hermeneutiek vast te houden, heeft Munnik zich in de hoek geschilderd. Hij zit gevangen in een double-bind. Als mediatiefilosoof opent hij een schatkamer aan geschiedschrijvingen van bemiddelende technieken, maar als hermeneuticus betreurt hij de teloorgang van de schriftreligies met hun beloften van onmiddellijke verzoening met het aards bestaan. Door toenemende mediaties verwijderen we ons steeds verder van onze zintuiglijke aanwezigheid, denkt hij. Terug naar de oorsprong kan niet, dat zou valse nostalgie zijn. Maar hij verlangt desondanks terug naar een vorm van onmiddellijkheid die er nooit is geweest omdat ze ons door de condition humaine is ontzegd. Rouwen om een onmogelijk verlies en een onbereikbaar herstel heet ‘melancholie’. Munnik heeft een melancholisch boek geschreven.

Toch bestaat er wel degelijk een uitweg uit het dilemma. Peter Sloterdijk maakt bijvoorbeeld een onderscheid tussen homeo-technieken en allo-technieken. De ene technologische mediatie is de andere niet als het gaat om de mate van hermeneutische ontvankelijkheid. Allo-techniek is techniek die de natuur reductief en objectiverend tegemoet treedt en haar in een mathematiserend keurslijf dwingt, de nachtmerrie van Husserl. Homeo-techniek is daarentegen techniek die zich natuuranaloog opstelt, die in dezelfde richting werkt als de hermeneutisch ontsloten natuurlijke processen. Sloterdijk spreekt in dat geval van biomimicry en van biomimetische technieken (Spären III, Schäume, Suhrkamp 2004).

Homeo-technieken zijn plaatselijk verbijzonderd, in tegenstelling tot de universaliserende allo-technieken. Homeo-technische apparaten ontstaan niettemin vaak doordat universele allo-technieken plaatselijk cultureel worden toegeëigend en ingelijfd. Ze raken aldoende ingebed in locale wereldbeelden en praktijken. Die zijn net zo min ongemedieerd authentiek. Iedere cultuur bemiddelt immers op talige en materiële wijze de toegang tot natuur en medemens. Dat is een zintuiglijk, door en door belichaamd, proces en toch is ook daar wel culturele differentiatie in mogelijk. Allerlei mythische beelden en toekomstverwachtingen sluipen in de incorporatie van nieuwe technieken mee naar binnen en sturen vervolgens mede de plaatselijke innovatie en differentiatie van geïmporteerde of terplekke ontwikkelde technieken. De eerder eventueel uitgesloten zinnelijkheid keert in volle omvang terug op grassroots-niveau. Mediatiefilosofie opent de luiken naar dit uitzicht en logenstraft het universalistische vervreemdingsdenken van de eerste generatie techniekfilosofen. Vreemd dat René Munnik in de melancholische variant volhardt.

Als Munnik constateert dat de voortschrijdende technologische ontwikkeling paradoxalerwijze leidt tot een proliferatie van mythische motieven, zoals grensvervagende hybridisatie, dan is dat zo gek nog niet. Ik zou dat alleen veel positiever waarderen. De mythe is geen rivaal voor wetenschap wat betreft waarheidspretentie. De mythe maakt de wereld herbergzaam door inbeddende beelden en verhalen. Die representeren de wereld niet met een waarheidsclaim maar die vragen om ‘enactment’ in dagelijkse rituelen van gebruik en verandering. Daarom is het jammer dat de wetenschap de mythe verdacht maakt als een primitief voorstadium van wereldverklaring. Omdat we ons van de mythe verlost denken te hebben, spelen tegen wil en dank nog steeds de mythen van de eerste veetelers en landbouwers een doorslaggevende rol in onze culturele zelfbespiegelingen. Of je nu een nostalgische film als de Hobbit bezoekt, of een technocratische zoals de Matrix, de kledij en de vervoermiddelen verschillen, maar de moraal is nog steeds afkomstig uit Babylonië. Het wordt hoog tijd om ons niet meer te bekreunen over mythen, maar ze eerder te actualiseren. Het motief van de cyborg is in al zijn dubbelzinnigheid een eerste stap voorwaarts.

René Munnik heeft een prachtig boek geschreven. Gedurende tweederde van het boek val je van de ene verbazing in de andere, in mooie gevalsbeschrijvingen van de culturele drijfveren van techniekontwikkeling. De interpretatieve omlijsting geeft op zijn minst te denken. Men moet wel tijdens het lezen een kritische antenne in de lucht houden en een interne dialoog met de auteur gaande houden. Maar zonder deze prikkel mag geen enkel filosofieboek ‘goed’ heten, laat staan ‘prachtig’.

 

Deel:
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie