Filosofie

De uitgerekte tijd van Henri Bergson

Nu alles door de internet technologie steeds maar sneller gaat duikt steeds vaker de naam van de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) op, de schrijver van het boek over de heel andere tijd die wij in ons hebben.

Het is maar al te begrijpelijk dat men is gaan denken dat de tijd steeds sneller gaat nu dagelijks in advertenties wordt geroepen dat je ‘nog sneller internet!’ kunt krijgen. Nóg sneller, dat betekent nog sneller dan de fractie van een seconde die internet er nu over doet om iets tevoorschijn te toveren waarom je hebt gevraagd. Vandaar dat het een weldadige mededeling is dat Oek de Jong ruim acht jaar heeft gedaan over zijn roman Pier en oceaan en dat Donna Tart pas na tien jaar klaar was met de duizend pagina’s van Het puttertje. Dat zijn duidelijke signalen in de richting van de opdringerige jachtige werkelijkheid: niet geïmponeerd keerden ze die werkelijkheid de rug toe en hielden hun eigen tempo aan.

Er is bij mijn weten in interviews nauwelijks naar gevraagd hoe het leven en schrijven in dit tempo bij hen verloopt. Wat voor leven leidt de tijd in dit schrijverschap? Hier moet het bewustzijn van tijd aan het werk zijn dat de Franse filosoof Henri Bergson ‘duré’ noemde, duur, een soort uitgerekte tijd die zich niets aantrekt van de dagelijkse tijd waar iedereen door de klok mee te maken heeft. Het moet een soort niet-bestaande tijd zijn die alleen nog door het verschil tussen dag en nacht wordt gemarkeerd. Aan de romanschrijver, en zeker aan duurschrijvers als De Jong en Tart, is te illustreren wat Bergson precies bedoelt met zijn duré-begrip.

Dat werd voor het eerst door hem aangesneden in zijn proefschrift uit 1888 dat nu onder de titel Tijd en vrije wil in vlekkeloos Nederlands is vertaald door Jeanne Holierhoek. Wanneer de ervaring van de tijd als ‘duur’ zich voordoet bevindt die zich niet aan de oppervlakte van het bewustzijn, maar in ‘het diepe zelf’, ‘le moi profond’. Dat is het terrein van het innerlijk, voor de introspectie, voor het reflecterende zelf dat er voor zorgt dat er constant interactie is tussen het oppervlakkige, vluchtige ik, en het duurzame zelf. Het oppervlakkige ik is het handelende en rationele ik. Wanneer de interactie tussen het oppervlakkige en diepe zelf afwezig is kan vervreemding optreden, vervreemding van de niet gebonden, vrije sfeer die kenmerkend is voor het diepe zelf. Daar bevindt zich ook het élan, de bezieling, de vrije wil en de kleur van het bewustzijn.

Lees hier de volledige recensie door Carel Peeters.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie