De ziel: speelbal of balzaal?

0
1

Op 15 november vond in Groningen het symposium ‘Het gewicht van de ziel’ plaats naar aanleiding van de uitgave van Renée van Riessen: De ziel opnieuw (Oratio). Désanne van Brederode en Frits de Lange hielden een lezing die we op Filoblog publiceren. Hieronder de lezing van Désanne van Brederode, volgende week de lezing van Frits de Lange.

***

Geachte aanwezigen,

Een tijdje geleden toonde een gepensioneerde kleuterjuf mij een prachtige tekening, gemaakt door een meisje dat ooit bij haar in de klas had gezeten. Het kind had zichzelf getekend, zoals alleen kleine kinderen dat kunnen: bovenop een dun laagje met gras begroeide aarde stond, netjes in het midden van het vel papier, een figuurtje met sprietdunne ledematen. Voeten pal bovenop het laagje grond, onduidelijke ovaaltjes als schoenen, armen wijd gespreid, niet horizontaal maar in trechtervorm, handen die alleen uit vingers bestonden en de vingers als stralen vanuit de polsjes, een rokje als een omgekeerde trechter, en bovenop de langwerpige ovalen romp een maanrond, lachend gezicht, ingelijst door twee vlechtjes. Boven het hoofd een paar blauwe wolken en een ronde, gele zon met stralen. De volkomen Lebensbejahung, en als je de gestalte op de tekening met je eigen lichaam zou nabootsen, dan weet ik zeker dat er van achter uit je keel vanzelf die klank ‘Aaah’ zou opstijgen – de A in hoera en halleluja, de A van ja en amen. “Laat de ervaringen en gewaarwordingen maar binnen stromen, door me heen stromen: ik ben er klaar voor.”

Maar wat deze tekening zo bijzonder maakte, was dat er in het midden van het rompje, daar waar hart en longen zich bevinden, opnieuw een grote gele zon was getekend.
En het leek wel of benen en voeten, maar zeker dus de armen en de handen, verlengingen waren van die gouden stralenbundels van de zon, en alsof dit maanronde gezicht met de grote ogen, nog eens spiegelde wat een verdieping daaronder als een levend, warm en uitbundig licht werd getoond. Ik begreep van de juf dat de kleuter eerst deze innerlijke zon had getekend, en pas later aan de wolken en de ‘echte’ zon was begonnen.
En ze vertelde dat ze generaties kleuters dit soort tekeningen had zien maken; ze had deze ene tekening toevallig getoond omdat die destijds speciaal voor haar was gemaakt, ik meen om haar ergens voor te bedanken, of als cadeautje voor haar verjaardag.

Wat er gebeurde bij het kijken, was dat de tranen me in de ogen sprongen. Niet eens van vertedering, en ook niet uit nostalgie naar de nog zo pure kindertijd: wat ik voelde kan ik nog het beste omschrijven als eerbied. Dit was een goede tekening, een mooie tekening, maar het was vooral een waarachtige, of beter nog: een ware tekening.
Het was een beeld dat ik niet alleen herkende als een beeld van mezelf, maar als een beeld van de mens zoals de mens misschien bedoeld is. Bezield, door een innerlijke zon die zich kan laten voeden door het licht van buiten, én die naar buiten kan stralen, zelfs tot ver buiten de grenzen van de eigen huid. Opeens begreep ik ook waarom ik als kind altijd zo aangenaam ontdaan was van beelden van het Heilig Hart: al kon zo’n Roomse kitscherige gipsen Jezus er zo zoetsappig uitzien dat ik er ook toen al kiespijn van kreeg, als ik mijn blik gericht hield op dat stralende, soms bloedrode hart in het witte, geplooide gewaad, dan leek het alsof ook mijn eigen hart in mijn borst opsprong, en alsof ik het hart van Christus een beetje kon in- en uitademen, alsof het ritme van zijn hartslag ook in mijn bloed kwam, en alsof ik in één keer alles begreep: de smartelijke woorden en daden bij het Laatste avondmaal, en de pijn, eenzaamheid en wanhoop op Golgotha, en de intense vreugde van Pasen. Passie. Als bijna onverdraaglijke gulle, offervaardige liefde. Passie op z’n Duits: Leidenschaft, waarin behalve  overlopend verlangen ook de moed tot lijden tot het uiterste in doorklinkt.

En dat zag ik allemaal weer zo heel helder in die tekening van dat onbekende kleutermeisje, die misschien helemaal niet met kerk, bijbel en Jezus was opgevoed, maar in het binnenste én in het midden van haar lichaampje dus ook zo’n gul stralend hemellicht had beleefd. Dit was haar lichaam, dit was haar bloed: geen rompje, geen borstkas gevuld met organen, maar gevuld met mateloze warme, lichte liefde. Zo krachtig. Zo kwetsbaar tegelijk.
En dat maanrondje kopje erboven maar lachen. Wanneer zouden er de eerste wolken voor schuiven? Wanneer zou die maan alles stuk gaan denken, en krimpen, en verduisterd raken? En zou die zielezon dan nog zijn terug te vinden?

Op witte donderdag 1993, dit jaar dus precies 20 jaar geleden, voltooide in mijn eerste roman Ave Verum Corpus – een boek dat eind augustus van het jaar daarop bij uitgeverij Querido zou verschijnen. Het boek is ontstaan uit een diepe angst die me al in het eerste jaar van mijn studie filosofie had overvallen: stel nu, dacht ik, dat ik me straks zo goed kan inleven in al die verschillende manieren om naar de mens en de wereld te kijken, dat ik niet meer terug kan naar wat mij zelf zo bezighoudt – wat dan? Aanvankelijk wilde ik een lang essay schrijven, over bidden en beminnen, over erotische, begerende liefde en religieuze, schenkende liefde, over het spanningsveld tussen geest en lichaam, over extase en meditatieve inkeer – over, kortom, de strijd in mezelf met deze elkaar tegenstrevende krachten. En dit,  bij wijze van testament. Na mijn studie zou ik natuurlijk volkomen vervreemd zijn van mijn authentieke, subjectieve emoties en gedachten  en de relativist zijn geworden die ik ook zo graag wilde worden, maar dan was het toch fijn als er ergens nog een herinnering lag aan het tobberige, worstelende, sombere, soms zelfs naar de dood reikhalzende meisje dat ik was geweest, en aan het eeuwig verliefde, eeuwig dromerige, schwärmerische, overenthousiaste én zichzelf in nederige aanbidding verliezende meisje dat ik tegelijkertijd ook was geweest.

Met dat essay vlotte het voor geen meter. Dus koos ik de romanvorm: dan zou de hele boel tenminste niet overkomen als een betoog van iemand die het eigenlijk allemaal al weet, die een boodschap heeft: nee, ik zou lezers via beelden, via ervaringen meenemen op de zoektocht waar ik mezelf nog middenin bevond.
Enfin, dat boek kwam er dus. Maar daar gaat het mij nu niet om. Waar het mij om gaat is dat een kennis van mijn ouders een paar jaar later tegen me zei: ‘Ik heb het met belangstelling gelezen, maar er is toch iets wat ik je wil je vertellen. In jouw roman ontbreekt het hart.’
Een intens grievende opmerking, waarschijnlijk juist omdat dit de spijker op z’n kop, of op mijn eigen kop, was.

Wat ik destijds niet had ingezien, was dat ik al ruim voordat ik aan mijn studie filosofie begon, ten prooi was gevallen aan een denken in tweedelingen, in tegenstellingen. Lichaam versus geest of ziel, Eros versus agapè, heftige, vurige emoties versus koele, abstracte intellectuele begrippen en ideeën,  het chaotische, onvoorspelbare en toevallige versus het overzicht en het systeem, praxis versus theorie etc. En daar had de lezing van Hermann Hesse’s roman Narziss und Goldmund nog een stevig aan bijgedragen: ik kon niet kiezen tussen het ene of het ander, zeker niet nu ik wist dat beide eenzijdige wegen toch tot dezelfde inzichten konden leiden.
In Hegel vond ik iemand die tenminste nog iets vruchtbaars met tegenstellingen deed: hij maakte er geen wedstrijd van, maar zocht naar een synthese. Helaas werd elke synthese zelf ook weer een these, waardoor er toch ook weer een antithese moest worden gevonden: wordt vervolgd. En dat klopte volgens mij niet. Wollt ihr die totale Aufhebung? De Absolute Geist? Nee! Nee! Want daarmee zou dan weliswaar een einde komen aan de tweedelingen, zou er een éénheid ontstaan, maar wél een eenheid waarin al het aardse, het zintuiglijke, de schepping, voor eeuwig overwonnen was. Betekenisloos verklaard – even bruikbaar om het denken aan te scherpen, maar zonder blijvende waarde voor de mens.

Toen Saint Patrick de Ieren die hij tot het christendom wilde bekeren probeerde uit te leggen dat er slechts één God was, maar dat die God tegelijk Vader, Zoon en Heilige Geest was, stuitte hij op veel weerstand. Iets wat één is, kan immers niet tegelijk drie zijn. De legende wil dat Patrick een doodgewoon  klavertje uit het groene gras plukte, en toonde hoe de drie hartvormige blaadjes samen toch één klavertje vormden: met het steeltje er als een soort omlijstinkje omheen gerold was daar een eenheid die tegelijk een drieheid was: u ziet dit nog terug in bijvoorbeeld het logo van de Ierse luchtvaartmaatschappij Air Lingus. Ik heb dat altijd een mooi beeld gevonden.
Pas veel later drong tot me door dat wij mensen, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, ook zo’n drie-eenheid zouden kunnen zijn. Tussen geest en lichaam leeft dan het hart, de ziel, als de verbindende schakel, met een geheel eigen karakter.

Mijns inziens terecht laat Renée van Riessen in haar prachtige essay De Ziel Opnieuw een aantal kwalificaties voor de ziel passeren die er allen op duiden dat de ziel te maken zou kunnen hebben met stemming, sfeer, ervaring en beleving, met subjectiviteit en innerlijkheid.
De ziel mag dan zelf niets zijn, en daardoor geen vorm en gewicht hebben, geen fysieke ruimte innemen – ze is zelf misschien wel een ruimte, waarin we stil kunnen staan bij onszelf, bij ons leven, en ons de grote existentiële vragen kunnen stellen, zelfs in de wetenschap dat er misschien nooit een afdoende en werkbaar antwoord op zal komen. De ziel is misschien ook de kracht die losse ervaringen en inzichten kan verbinden, waardoor we herinneringen hebben die we vervolgens weer in verband kunnen brengen met zaken die we nu meemaken, kennis die we nu opdoen. Ten derde is het de ziel die geraakt kan worden door de ontmoeting met een ander mens, en medelijden kan voelen, en eerbied, en liefde en leergierigheid: niet alleen weten we dat andere mensen ook bezield zijn, we willen elkaar soms ook van ziel tot ziel aanspreken, aanzien, tegemoet komen, en we willen werkelijk luisteren en wijken, en werkelijk gehoord en gekend worden, of genoemd worden bij onze diepste naam – zoals Neeltje Maria Min dat zo treffend verwoordde. En daar komen dus ook het gevoel en het gemoed bij kijken.

Toen ik zojuist sprak over de kleutertekening hoefde ik die tekening niet aan u te tonen, of voor u na te tekenen. Ik noemde vormen en kleuren, en u maakte daar in u zelf meteen een voorstelling bij: u zag waarschijnlijk allemaal ongeveer dezelfde tekening voor u. Maar wat nu, als ik had gezegd dat de zon die het meisje ter hoogte van haar borst had getekend, niet geel was geweest, maar paars en bruin, met zwarte stralen?  Grote kans dat u dan toch even snel zou denken: “Originele kleurkeuze, maar ook wel verontrustend. Wat zou er met dit meisje aan de hand zijn geweest?” Daarvoor hoef je niet eens kinderpsycholoog of orthopedagoog te zijn, laat staan dat u een studie kleurenpsychologie gevolgd hoefde te hebben.

U hoeft zich de kleuren alleen maar voor te stellen, en onmiddellijk weet u: dat dit meisje haar zon geel kleurde is niet alleen omdat de echte zon doorgaans ook een goudgeel licht verspreidt, dat eerder nog neigt naar oranje en rood dan naar paars of bruin, maar ze heeft zich bij het tekenen waarschijnlijk ook blij en gelukkig gevoeld, en geel is een kleur die wil stralen, die naar buiten toe wil stralen. Om dit te kunnen denken is het niet nodig dat u zelf veel van geel houdt, en dol bent op het gevoel dat geel bij u teweegbrengt. De werking van een kleur op het gemoed is objectief vast te stellen, is universeel – maar of u van die werking houdt, dat is aan u.

Wat mij betreft kun je langs deze weg de ziel best aardig op het spoor komen. Ik kan voor u een liedje zingen in majeur, en een liedje in mineur, en u hoeft niet eerst de partituur te zien om het verschil in stemming vast te stellen: u hoort dat meteen. En sterker nog, u hoeft de termen mineur en majeur niet eens te kennen om toch de verschillende werkingen ervan te kunnen ondergaan. U kunt volkomen objectief beschrijven hoe uw woonkamer eruit ziet, gewoon door op te sommen wat er in staat, en als u zegt ‘Voor het raam hangen donkerblauwe fluwelen gordijnen’ dan weet een ander meer dan wanneer u zegt dat er voor het raam gordijnen hangen. Een kamer met blauw fluwelen gordijnen is een andere kamer dan één waar witte lamellen voor de ramen hangen. Over mooi of lelijk hoeft het dan nog helemaal niet te gaan. U ziet misschien al wat goed gekozen bijvoeglijke naamwoorden kunnen doen. We stellen daarmee de subjectieve emoties soms even keurig uit, ter wille van het geven van de juiste zintuiglijke informatie: en het is aan de lezer of luisteraar om met deze informatie een indruk op te bouwen waarover hij of zij dan zélf in alle vrijheid kan beslissen: “Dat lijkt mij een gezellige, maar ook wel wat ernstige kamer, zo met al dat blauw.”

Pas hier is dus sprake van een smaakoordeel. Maar dat een kamer met blauwe gordijnen en blauwe spullen een andere sfeer heeft dan een kamer met witte lamellen is een feit waar niemand omheen kan. De ziel is dus misschien wel de plek waar indrukken ontstaan. Waar de zintuigelijke informatie zich in afdrukt. Waar geen ideeën of concepten leven, maar stemmingen en beelden. Tafel is een abstract concept, dat we kunnen denken. Een mahoniehouten tafel met gedraaide poten is een beeld, en dat beeld kan steeds nauwkeuriger worden, als we de maten kennen, en weten hoe het hout klinkt als we erop kloppen, en of het tafelblad door de loop der jaren wat dof en bekrast is geraakt etc. En hierdoor kan ons gevoel, onze stemming bij dat beeld van die unieke tafel, ook steeds preciezer worden , terwijl we toch nog steeds een persoonlijk smaakoordeel kunnen terughouden. Voor nu wil  ik dit even laten rusten.

We leven in een tijd, in een cultuur waar emoties niet meer hoeven te worden onderdrukt. We mogen over onze gevoelens spreken, we mogen ze analyseren, we mogen ze uiten – binnen de grenzen van het toelaatbare uiteraard, en over die grenzen mogen we dan weer druk met elkaar van mening verschillen. Gouden tijden voor de ziel, zou je op grond van het voorgaande misschien wel kunnen stellen.
Maar dat kan iemand alleen maar stellen wanneer hij meent dat emoties en gevoelens twee woorden voor hetzelfde zijn. Wat mij betreft zijn emoties hetzij onmiddellijke reacties op prikkels van buiten, hetzij reacties op eigen gedachten. Je kunt je ergeren aan het stomme grinniken van een collega bij een vergadering, maar ook nerveus worden wanneer je denkt aan wat je vanavond thuis nog allemaal moet doen. Emoties wisselen elkaar in razend tempo af, en natuurlijk is er ook vaak sprake van gemengde emoties. Welke negeren we, welke geven we voorrang, wat is sociaal wenselijk?

We denken heel wat af over onze emoties, soms in bijna hetzelfde tempo als ze in ons verschijnen en verdwijnen. Van werkelijke reflectie is hierbij geen sprake, het gaat meer om razendsnelle pragmatische inschattingen, oordelen en beslissingen. Hier zien we dus prikkels die zich omzetten in emoties die ons fysiek in beweging brengen. We spannen onze schouders, gaan oppervlakkeriger ademhalen, of we blozen, slaan een hand voor onze mond, krijgen tranen in onze ogen, moeten een schreeuw onderdrukken, voelen vlinders in onze buik of een knoop van angst, onze keel lijkt te worden dichtgeknepen of we beginnen te watertanden, we willen een kusje op die schattige bolle kinderwangetjes drukken of de klant die voordringt een por met een elleboog geven, en anders kan het zijn dat we ons simpelweg niet kunnen concentreren op onze bezigheden omdat we maar blijven malen over een opmerking die ons bijzonder heeft gekwetst.

Bij Schopenhauer horen deze prikkels en emoties allemaal thuis in het domein van de wil, van de levenswil. Die lijkt op weg van niets naar niets, maar de golfbewegingen hebben wel een stuwend karakter, ze laten ons streven, niet naar een ver gelegen doel, maar naar een toestand van zeer kortstondige rust. De lust wil bevredigd worden, de woede uitgeleefd, de tranen willen worden gehuild, het plezier wil aanhouden en nog plezieriger worden, de wonden willen geheeld worden, de rouw verlangt naar troost, de mening wil gehoord worden, het debat wil gewonnen worden, de esthetische  smaak wil gedeeld en bewonderd worden.  Maar waar we inzien dat ieder moment van rust meteen weer wordt verstoord door een nieuwe golf, kunnen we besluiten om ons wat minder door die wil te laten opjutten en ons wat losser te maken van de prikkels en emoties – bijvoorbeeld door ze kalm, als van buitenaf te beschouwen, te overdenken, de zinloosheid ervan in te zien en ons vervolgens alleen nog maar op te houden in de wereld van het onverstoorbare contemplatieve denken, ook al leidt dat uiteraard evenmin naar een bevredigend antwoord of zinvol einddoel, want zelfs al zou dit worden gevonden, dan nog dient zich hierna wel weer een nieuw vraagstuk aan.

Het is opvallend dat in veel filosofische onderzoekingen naar de ziel, het contemplatieve, beschouwende denken gelijk wordt geschakeld aan de ziel, of tot hét kenmerk van een mogelijke ziel wordt uitgeroepen. De ziel kan pas met haar passieve activiteiten beginnen daar waar stilte heerst, en innerlijke rust, waar niet teveel prikkels zijn en zeker geen mogelijkheden zijn om meteen maar spontaan op alle prikkels van buiten en impulsen van binnen te reageren; je krijgt pas zicht op begrippen als liefde, schoonheid, waarheid, authenticiteit, moraliteit, gemeenschapszin en religiositeit daar waar je je uit de wilde wereld van de wil hebt teruggetrokken en met gepaste afstand naar het gewoel in de verte kunt kijken, achterom kunt kijken, of in het eigen innerlijk kunt blikken, om je bepaalde gebeurtenissen en emoties te her-inneren en  de herinnering te kunnen duiden, om de tekens betekenis te geven, om woorden die reeds geklonken hebben werkelijk tot je te kunnen laten spreken, tot je te kunnen laten doordringen.

Ik zal niet zeggen dat dit onwaar is, maar ik heb er, net als Renée van Riessen, wel mijn vragen bij. Want zien we hier nu werkelijk de ziel aan het werk, of is ziel hier gewoon een ander woord voor geest? Of betrappen we de ziel hier op een geestelijke bezigheid of houding, en beschikt ze ook nog over andere vermogens, eigenschappen en kwaliteiten? Of je nu denkt over emoties en gevoelens, of ze probeert te doordenken – u zult het met me eens zijn dat iets doordenken toch nog steeds wat anders is dan iets doorvoelen.

Het beschouwelijke, verinnerlijkte, subjectieve denken lijkt te beloven dat haar beoefenaars minder een speelbal hoeven worden van prikkels en omstandigheden: in plaats van het idee te hebben dat je continu moet ageren en reageren op alle stimuli, kun je er ook afstand van nemen en de rust om bijvoorbeeld hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden en je te bezinnen op de zin en betekenis van een bepaald gevoel binnen het grotere geheel van je leven.

Dat is op zichzelf natuurlijk heel waardevol. Want inderdaad is het zo dat we meer en meer op speelballen gaan lijken, vanwege de enorme overvloed aan prikkels en informatie die op ons afkomt. We lopen deuken op, we raken lek, we krimpen, we hebben geen weerstand meer, en langzaam lopen we leeg, tot er een lullig vodje overblijft dat al moe wordt bij de gedachte aan weer een enerverende documentaire die je, als je tenminste bij de tijd wil blijven, toch echt gezien moet hebben.

Maar door de contemplatiepredikers wordt de speelbal hierdoor in één moeite door tot een object voor het denken gemaakt. Tot een nieuwe speelbal dus. Waarbij emoties en gevoelens, prikkels en sensaties, impulsen en indrukken ook nog eens op één grote hoop worden geveegd, aangezien het eigen ervaringen zijn en je erop kunt reflecteren. Het maanronde, bespiegelende hoofd mag rustig kijken naar wat er zich daaronder allemaal afspeelt en het is u natuurlijk ook allemaal wel opgevallen hoezeer een schedel op zo’n koele maan lijkt, die van een afstand naar het gewoel blikt, en eb en vloed aanstuurt, echter zonder daarvoor in actie te komen, zonder iets uit te zenden: het is een zuigende, trekkende, magnetische werking. Heel iets anders dan de werking van een stralende zon.

En dat brengt mij terug bij die magistrale kindertekening.
En bij de twee denkers die mij terug hebben gebracht naar wat ik in mijn jeugd alleen door de ervaring al heb mogen leren: dat een mens een drie-éénheid is. In de eerste plaats noem ik hier Rudolf Steiner. Ik heb op de Vrije school gezeten, waar je leert met hoofd hart en handen.

Nu ik alweer jaren euritmie beoefen, een door Steiner gegeven bewegingskunst, begrijp ik beter wat er met dat hart bedoeld wordt. Of: met de ziel. Zoals je een gevoel kunt doordenken, zo kun je natuurlijk ook een gevoel doorvoelen. En dát is volgens mij de kern, de kracht van de ziel. Iets doorvoelen doe je niet achteraf, niet na een concert, niet na lezing van een gedicht, niet na een boswandeling of een museumbezoek – je kunt leren om tijdens het luisteren en kijken te voelen, echt te voelen, wat hier klinkt, of hoe een kleur of ritme of gebaar op je inwerkt. Je houdt oordelen als mooi of lelijk, sympathiek of antipathiek, lekker of vies, spannend of saai, somber of vrolijk nog even terug, je vraagt je nog niet af “Wat heeft de kunstenaar hiermee willen uitdrukken? Wat bedoelt hij met dit beeld, deze metafoor?”, je constateert niet meteen: “Van alle intervallen in de muziek is de kleine terts me het dierbaarst” , maar je beweegt mee.

Je loopt niet op de hexameter, je loopt in de hexameter, je voelt al lopende wat dat Griekse ritme van Homerus met je doet, en hoe anders het is om lang, kort, kort te lopen, dan kort, kort, lang. Boom, Arbre, Tree en Baum betekenen allemaal hetzelfde, maar de klank maakt dat je bij ‘boom’ misschien vooral de massieve, ronde, dikke stam met bast voor je ziet, en bij Arbre de wijdvertakte, juichende kruin, en bij Tree de verticaliteit van populieren en cipressen, en bij Baum de wind door de takken, en het spel van het zonlicht met de blaadjes. Ik noem nu maar wat.
Klank is in zichzelf al wat. Ritme is in zichzelf al wat. Kleur is in zichzelf al wat. Werkt op ons in. Doet iets met ons, brengt ons in beweging, laat een innerlijk gebaar ontstaan. Zelfs als we rustig zitten en ogenschijnlijk niets doen.
Ik bezocht onlangs een concert van een pianist in het Concertgebouw. Het jonge genie speelde onder andere een stuk van Mozart, een stuk van Beethoven, en twee van Chopin. Ik zeg u er meteen bij: ik ben in die zin een leek, dat ik zelf geen instrument bespeel. En hoewel ik de pianowerken van de verschillende componisten redelijk goed ken, heb ik lang niet alles gehoord, en zeker niet in tien verschillende versies.

En toch. Ik luisterde aandachtig, en genoot ook zeker wel van de composities, maar tegelijk wist ik: het klopt niet. Chopin was nog wel in orde, maar Mozart en Beethoven… Er waren geen valse tonen, geen foute aanslagen, geen sentimentele interpretaties of versnellingen en pauzes waarvan je zou kunnen denken “Dit is misschien wel een héél eigenzinnige interpretatie” maar ik had het gevoel: technisch is het perfect – en toch is dit niet zoals het is bedoeld. Dat viel me op, omdat mijn ziel niet tot meedansen werd uitgenodigd, of tot meebewegen op de stroom. De jonge pianist had de noten perfect in de vingers, maar de muziek zat nog niet in hem.
Het geheim in muziek is dat wat er tussen de tonen gebeurt, in de overgangen. En die tussenruimte bleef leeg, daar was nog geen adem, geen hartslag in, dat was nog niet doorvoeld, doorleefd, bezield. Waar door de muziek mij niet kon bezielen.  De pianist had goed geoefend, maar zijn spel was geen spel in de ernstigspeelse zin van het woord. Geen belangstellend, luisterend zoeken  – al doende.

Iedereen die wel eens een masterclass muziek op televisie heeft gezien, snapt denk ik wel wat ik bedoel. Die indrukken had ik niet kunnen hebben, als ik me had laten leiden door de reputatie van deze pianist, of door het daverende applaus van de mensen om me heen. Maar ik heb evenmin met de partituur op schoot gezeten, noch met theoretische beschouwingen over melodielijn en onderstem en de betekenis van aanwijzingen als con brio en andante.

Ik heb innerlijk leren meebewegen niet op, maar in de muziek, ik voel ter hoogte van mijn sleutelbeentjes dat het gebaar van de D overgaat in  de Es, soms nog voordat die noot geklonken heeft, en ik geniet van een verlossende octaaf die mijn hele lichaam in een nieuwe, schone, gloed zet, met een zonnetje boven mijn hoofd – ik heb geleerd, en leer, dat luisteren bewegen is, en dat bewegen echt iets heel anders is dan uitdrukken wat je op een bepaald moment toevallig zelf ergens bij voelt. Want om expressie van subjectieve emoties gaat het in de euritmie niet: het gaat om het zichtbaar maken van klank, om doorleefde gebaren, om het gevoelvol en bewust bewogen worden, idealiter klassikaal. Niet ieder voor zich de pasjes lopen in een kring, maar bij het lopen en bewegen ook letten op de kring – en je aanpassen daar waar er gaten vallen of opstoppingen ontstaan.  Waarnemen, waarnemen, waarnemen. Maar: al doende, al bewegende. En pas wie over dat vermogen beschikt, kan zich autonoom, vrij, kunstzinnig en dienend uitdrukken en invoegen in een geheel, in een samenhang met anderen, ook buiten de lessen om.

Het moge zo zijn dat de ziel het domein is van levende beelden, van een stroom van ademende gebaren, ze is daarmee ook het domein van de verbeelding. Van de fantasie. Ik merk dat als ik schrijf aan een roman. Soms denk ik de woorden vooruit, bijvoorbeeld wanneer ik een gesprek uitschrijf tussen twee personages, of iemand laat nadenken, maar soms ook wil ik weten: hoe loopt iemand die net te horen heeft gekregen dat hij is ontslagen van zijn werk naar de tramhalte, door de miezerige regen?
En dan breng ik als vanzelf mijn bewustzijn een verdieping lager, van hoofd naar hart, om de beelden te zien in het licht van die innerlijke zon.

Zo kan het ook gaan met handelingen die nog tot de toekomst behoren. Ik wil graag aan iemand laten blijken dat hij mij met zijn opmerking boos en verdrietig heeft gemaakt, maar niet om hem hiervoor te straffen: ik hoop dat hij gaat begrijpen hoe ik me voel, en dat ik kan gaan begrijpen wat hij eigenlijk bedoelde, liefst zonder dat er ruzie komt. Hoe pak ik dat aan?  Ook dan zijn alleen ethische overwegingen over goed en kwaad  niet voldoende om tot daden te komen. Bij de morele idealen wil ik fantaseren; wat is de beste manier om het gesprek te beginnen?  Op welk tijdstip kan dat in rust gebeuren? Ik stel me verschillende scenario’s voor, en de lichaamshoudingen, de blik, de gebaren, de klank van de stem van de ander terwijl hij naar mij luistert… Al fantaserend ga ik steeds beter voelen, beseffen, hoe dat wat ik te zeggen heb, zou kunnen overkomen op en in de ander – welke indrukken ik bedoeld of onbedoeld in zijn ziel kan prenten. Bijna kunstzinnig oefen ik dus, verken ik de gevoelvolle tussenruimte tussen mij en de ander, weef ik met schering en inslag, gebruik ik mijn morele fantasie, soms zelfs tijdens gesprek zelf. Natuurlijk is de werkelijkheid nog weer anders dan wat ik mij allemaal heb voorstel, maar ik heb wel al innerlijk een ruimte geschapen waarin de ziel van de ander zich kan ontvouwen. Waarin ik besef dat wat ik zal gaan zeggen niet alleen een beweging is van mij uit:  ik spreek niet alleen tegen iemand anders, maar met iemand anders, die ik al een beetje ken, en die net als ik een gemoed heeft waarin niet alleen woorden zullen worden ontvangen, maar ook mijn blik, de klank van mijn stem, mijn gebaren – die evenzeer bijdragen aan de indrukken die hij van mij heeft en nog zal krijgen.
Dat maakt mijn handelingen en woorden misschien voorzichtiger,  opener, minder agressief en minder ‘ikkerig’: ik houd rekening met zijn gemoed, zijn beleving, ook al ken ik die natuurlijk niet. Ik zorg dat de tussenruimte bezield kan raken door iets wat oneindig veel meer dan is dan een optelsom  van onze beide bijdragen.

Zo bezien is de ziel een levendig, ademend, beweeglijk midden tussen willen en denken. De gulden middenweg, de zon, die het koele, analytische denken (dat al snel de dingen Kaltstellt, bevriest, in kleine, hoekige kristallen uiteen laat vallen) weer wat liefde, warmte, beweging en levenszin kan geven, en die de felle, krachtige emoties, reacties, woorden en handelingen weer wat lichter, zachter, voorzichtiger en minder troebel en egocentrisch kan maken.
De ziel schenkt het doodse denken en de al te massieve wilsmanifestaties iets van opstandingskracht. Ik leer afnemen, opdat de ander in mij kan toenemen.  Ik en jij scheppen ruimte voor wij.
Voor genade en inspiratie.

En pas onlangs, toen ik Schillers Brieven over de esthetische opvoeding van de mens las, begreep ik hoe hij Steiner weer had geïnspireerd: de onderscheidingen Stofftrieb, Formtrieb en Spieltrieb verwoorden beter dan ik het zelf kan, wat ik op de Vrije School inderdaad  heb mogen ontdekken. Dat de ziel al spelend en voelend, bewogen en bewegend kan leren wat de zintuigen te zeggen hebben, en hoe de indrukken iemand willen opvoeden tot een beweeglijk, flexibel, liefdevol, luisterend medemens. Tot iemand die emoties, gevoelens, gedachten, en daden met elkaar kan verbinden, die ‘ik’ en wereld met elkaar verbinden.

De ziel is geen speelbal van de buitenwereld, en van eigen impulsen, maar een speelruimte die zich uitstrekt tot ver voorbij het innerlijk, en zich opent voor de wereld met al haar kleuren en geuren en klanken en woorden, en ritmes en stemmingen, en wisselingen daartussen, en alles wil doorvoelen en doorleven. Die levende indrukken kan inademen en weer uitademen, kan terugschenken aan medemensen. De ziel wil dansen en meedansen. Wil weven en zich inweven, de losse draden samenbrengen, zonder er meteen iets hards en hoekigs van te maken.
De ziel is een balzaal waar zintuiglijke sensaties indrukken kunnen worden, waar je indrukken kunt doorvoelen, en dán pas kunt doordenken, en waar je de vruchten van deze uiteenzettingen met gevoelens ook weer zo kunstzinnig kunt omvormen dat ze de wereld en de gemeenschap van medemensen ten goede komen. Hoogstaande ideeën en idealen passeren de fantasie, je oefent ermee, tot je een passende vorm vindt voor je woorden en daden – passend bij de situatie en de ontvanger, of liever: bij de medespeler.
Spieltrieb is wat ik miste in mijn studie. Nu net die derde kracht was die bij mij op school zo vanzelfsprekend in alles werd aangesproken en betrokken.

En dan is er die derde dichter en denker die, (ik parafraseer) op Schillers brieven reageerde met: ‘Heel mooi, heel waar, maar man, wat heb je het bloedeloos opgeschreven, om vervolgens  met het sprookje over De Groene Slang en de Schone Lelie te antwoorden. U weet wie ik bedoel: Goethe. U kent van hem allemaal die uitspraak uit het toneelstuk Egmont: ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode Betrübt.’ Maar weet u wat de derde zin is? ‘Glücklich allein ist die Seele die liebt.’

Dat is waar het om draait. Je niet terugtrekken uit de zintuiglijke wereld, maar er middenin staan, spelend en genietend, nieuwsgierig naar tonen en klanken en kleuren en ritmes en metamorfoses – liefhebbend, verlangend en geestdriftig, enthousiast. Goethe wist wat de kleuter met haar tekening ook wist: dat het aankomt op het midden, op het hart. Dat hart, dat mag dan een fysiek orgaan zijn, maar het is natuurlijk vooral een woonplaats voor de ziel die als een zonnetje wil stralen en alles met haar gloed wil aanraken, aftasten en verkennen – én een balzaal voor een wereld, voor een schepping, die elke dag opnieuw in ons wil opstaan.
Die zich in u en mij, en te midden van ons, altijd opnieuw weer openbaren wil.

Désanne van Brederode


De ziel opnieuw van Renée van Riessen is een uitgave van Uitgeverij Sjibbolet. Renée van Riessen is filosoof en dichter. Zij doceert godsdienstfilosofie aan de PThU in Groningen en is bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Universiteit Leiden. Wie wil weten hoe in de antieke oudheid over de ziel werd gedacht, die leze de voorbeeldige uitgave De ziel van Aristoteles dat deze week verschenen is bij Uitgeverij Klement. Het werd vertaald door Ben Schomakers en is voor zien van een uitgebreide inleiding en uitvoerige aantekeningen.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER