Filosofie

De zwemmer en de zwaluw

Inleiding door dr Piet Gerbrandy bij de uitreiking van de Geert Grote Pen 2015, 19 juni 2015

Er is weinig zon, maar de wind is kalm en het water is de afgelopen dagen waarschijnlijk wat minder koud geworden. Het strandje is verlaten, op een paar eenden na. Ik gooi mijn kleren uit en loop het water in, dat toch iets frisser is dan ik mij voorgesteld had, maar vanzelfsprekend deins ik niet terug want dit is mijn element. Zachte modder tussen mijn tenen. Zodra het diep genoeg is om te zwemmen, laat ik de licht zuigende bodem los en begin ik rustige slagen te maken. De weerstand van het water is weldadig. Na elke vier slagen haal ik even adem, algauw ben ik volledig geacclimatiseerd, ofschoon ik per seconde temperatuurwisselingen registreer. Midden op de plas passeer ik een fuut met twee jongen op haar rug, honderd meter verder springt een karper boven het water uit, aan de overkant wacht een reiger op leeftocht en wanneer ik even op mijn rug drijf, zie en hoor ik niet ver boven mij gierzwaluwen voorbijschieten. Ik ben een en al zintuig, de opwaartse druk van het water maakt mij gewichtloos en de machinerie van mijn lichaam lijkt drie kwartier lang perfect te functioneren. Mijn denken is min of meer uitgeschakeld, ik ervaar een totale vrijheid.

Het vochtig element draagt en wiegt me, maar zou ik stoppen met het maken van zwembewegingen, dan zou ik zeker verdrinken. Met mijn ogen vlak boven het oppervlak bevind ik mij op de grens van twee werelden. Hoewel ik uit het water voortkom, hoor ik daar niet meer thuis. De atmosfeer is voorlopig mijn biotoop geworden. En sta ik straks weer huiverend aan de kant, dan zal ik zien hoe het rimpelend oppervlak een onbereikbare hemel tracht te weerspiegelen. Drie werelden dus. We zijn vissen geweest, kropen aan land en hopen ooit nog eens vleugels te krijgen. Wie zijn we ten diepste?

Eind mei 2015 nam de filosoof Gerard Visser afscheid als hoofddocent in Leiden. Ter gelegenheid daarvan verscheen zijn meeslepende essay Oorsprong & vrijheid, waarin hij duidelijk maakt waarom het uit en te na gevoerde debat over determinisme en vrije wil nooit een zinnig antwoord zal opleveren, en aan de hand van teksten van onder anderen Aristoteles, Schelling en Heidegger een poging doet te bepalen wat het wezen van vrijheid is. In het essay duikt steeds de beeldhouwer Alberto Giacometti op, wiens vrijheid zich, wanneer hij veertien jaar oud is, opmerkelijk genoeg manifesteert in de impulsaankoop van een boek met afbeeldingen van Rodin. Ik zal Vissers indringende betoog hier niet reproduceren, u moet het essay zelf maar lezen, maar het komt erop neer dat hij vrijheid definieert als ‘ademruimte’, als ‘het vrije’, als ‘een bezielde leegte die zijn laat’. Steeds opnieuw komt hij terug op deze stelling: ‘Een wezen is vrij wanneer het in zijn element is.’

Gerard Visser heeft, misschien als laatste filosoof in Nederland, altijd college gegeven en gepubliceerd in het Nederlands. Wie zich intensief bezighoudt met denkers voor wie de taal een instrument is dat zij volledig naar hun hand wensen te zetten, weet hoe absurd het zou zijn hun werk alleen in vertaling te lezen. Kant en Hegel in het Engels, dat zou misschien nog net gaan, maar Nietzsche en Heidegger komen alleen in het Duits tot hun recht. Dring je stap voor stap, behoedzaam en aandachtig, hun oeuvres binnen, dan gaan er onvermoede werelden voor je open. Hoe kun je daarover spreken? Hoe voeg je jezelf daarin? Visser vindt, mijns inziens volkomen terecht, dat alleen je moedertaal, de taal waarin je de wereld hebt leren kennen en die je tot in alle uithoeken doorgrondt, je ertoe in staat stelt je meest fundamentele en subtiele gedachten over het gelezene onder woorden te brengen. De taal is de biotoop van het denken, je moedertaal is het element waarin je als spreker helemaal vrij kunt zijn.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je niet zo nu en dan een andere taal zou moeten spreken, of dat het raar is in het Engels te publiceren, want het denken, het wereldburgerschap, de exploratie van de humaniteit is gebaat bij uitwisseling van ideeën tussen taalgemeenschappen. Maar het is een misverstand om aan te nemen dat alleen Engelstalige publicaties ertoe doen, en al helemaal om ervan uit te gaan dat we een vreemde taal even goed zouden kunnen beheersen als de onze. Wie weleens internationale congressen bezoekt, weet hoezeer zelfs gerenommeerde geleerden in fraai klinkende algemeenheden vervallen zodra ze op academisch Engels overschakelen, waarbij voortdurend duur jargon wordt gehanteerd waarbij niemand zich meer afvraagt wat het eigenlijk betekent. Vraag je de sprekers het beweerde nog eens in hun moedertaal weer te geven, dan blijkt dat vaak moeilijker dan ze zelf dachten.

Wie het contact met zijn taal verliest, ontkent de wortels waaruit het loof van zijn denken is voortgekomen. Een boom zonder wortels verdort en sterft af.

Als classicus en poëzielezer leef ik met teksten waarin ieder woord telt, waar het ritme van de zinnen deel uitmaakt van hun betekenis. Wat goed geschreven is moet je fysiek ervaren, je moet het letterlijk incorporeren, dat wil zeggen: in je lichaam opnemen. In de Middeleeuwen werd, overigens in navolging van Romeinse rhetorici als Quintilianus, vaak een digestieve metafoor gebruikt om de techniek van het lezen te verhelderen. Woorden zijn voedsel voor de geest, en wil je hun voedingswaarde ten volle benutten, dan moet je langzaam kauwen, opdat de klank en de betekenis gelijkmatig in de bloedbaan komen. Het leesproces wordt soms zelfs als een herkauwen aangeduid, hetgeen misschien impliceert dat wat je op die manier produceert de melk der wijsheid is.
Wanneer ik met studenten praat over Horatius’ pijnlijke zoektocht naar vrijheid, over de virtuoze wijze waarop Ausonius in de vierde eeuw de spiegeling van de Moezel beschrijft, over de frustraties van Heloïse (twaalfde eeuw) die tot uitdrukking komen in de briefwisseling met haar ontmande minnaar Abelard, over de weerbarstige regels van H.H. ter Balkt of het woordspel van Hans Faverey, ervaar ik het vaak al als uitermate moeilijk in mijn eigen taal te formuleren wat er in die teksten gebeurt. Wat is de gevoelswaarde transieram, het woord waarmee Ausonius’ Mosella opent? ‘Ik was overgestoken’, ‘ik had de overtocht gemaakt’, ‘ik had een overgang beleefd’? In het Engels zou ik niet direct drie synoniemen paraat hebben. En als je niet tot in het hart van ieder woord kunt doordringen, heeft college geven over rijke teksten geen zin. Dan kun je de studenten net zo goed met een reader vol matige artikelen naar huis sturen.

Er wordt de laatste maanden veel gedebatteerd over de vraag waartoe universiteiten dienen. Men is het er wel over eens dat ze niet bedoeld zijn als veredelde beroepsopleidingen, maar wat is hun functie dan wél? Waar het gaat om studies als geneeskunde, rechtsgeleerdheid en informatica menen we te weten wat hun relevantie voor de samenleving is, maar de zin van theoretische natuurkunde of psycholinguïstiek is al heel wat lastiger te benoemen. Het wordt helemaal problematisch als we ten overstaan van zielloze parlementariërs, op winst beluste ondernemers of aan facebook verslaafde belastingbetalers moet uitleggen waarom de geesteswetenschappen tot de kern van de academie behoren. Perzische poëzie, de muziek van Schönberg, Assyrische kleitabletten, het onhandige Latijn van Spinoza – waarom zou de samenleving moeten opdraaien voor onze hoogst onpraktische liefhebberijen? Waarom steken wij met subsidie van de staat wereldzeeën over om met vakgenoten een esoterisch discours over analytische taalfilosofie te onderhouden?
Ik heb op die vragen geen antwoord, maar denk wel dat studenten getraind moeten worden in het schrijven van vlammende, opwindende, mooie essays in hun moedertaal, teneinde aan hun omgeving duidelijk te maken waaraan ze hun intellectuele gaven wijden en daarmee ook iets terug te doen voor de privileges die ze genieten. Wil je je leven wijden aan Kant, Wittgenstein, aan de fenomenologie van de muzikale ervaring, aan de effectiviteit van gedachte-experimenten of aan de principes van constituerende macht, dan ben je het aan je stand verplicht daarvan zo nu en dan verslag uit te brengen in zorgvuldige taal die geïnteresseerde niet-ingewijden kunnen begrijpen. Niemand kan zoiets vanzelf. Wil je een goed schrijver worden, dan zul je daar hard voor moeten werken. Alleen al daarom vind ik het zo waardevol dat er op het terrein van de geesteswetenschappen nog scripties worden geschreven in het Nederlands. Het is een veeg teken dat de vijf scripties die voor de Geert Grote Pen zijn genomineerd, allemaal uit Vlaanderen komen. Zou dat betekenen dat België een beschaafder land is dan Nederland?

Enkele jaren geleden bezocht ik hier in Deventer het museum in de Waag, waar ik tot mijn niet geringe verbijstering ineens in oog stond met de schedel van Geert Grote. Op zichzelf vind ik het al bizar, misschien zelfs lichtelijk pervers een stoffelijk overschot tentoon te stellen, al zijn we natuurlijk wel gewend aan de anonieme resten van veenlijken, prehistorisch gebeente en relikwieën in kerken, maar dat hier de schedel van een zo beroemd man in een vitrine lag, vervulde mij met een mengsel van ontzetting, schaamte en heilig ontzag. U weet hoe deze vermaarde zoon van Deventer, geboren in 1340, de locale Latijnse school bezocht en vervolgens zijn intellect vormde aan de universiteit van Parijs, waar men toen in het Latijn op het scherpst van de snede debatteerde over logische, metafysische en theologische kwesties. Geert Grote had een succesvolle carrière aan diverse kerkelijke instituties tot hij in 1372 besloot een ascetisch leven te gaan leiden. Hij verbrandde zijn boeken, entameerde een nieuwe vorm van gedeelde spiritualiteit buiten de clericale orde om en maakte enige tijd furore als boeteprediker. In 1384 bezweek hij, drieënveertig jaar oud, aan de pest.
Dat Geert Grote van scholastieke haarkloverijen in het Latijn overstapte op het preken in zijn moedertaal, mag wel gelden als een symbolische daad van formaat, die je met enige goede wil als het begin van de reformatie zou kunnen beschouwen. Of Grote een belangrijk denker is geweest kan ik niet beoordelen, maar het staat vast dat hij door zijn bevlogen redevoeringen velen heeft geïnspireerd. Wat moet er allemaal in dat brein zijn omgegaan? En daar lag zijn schedel, het lege omhulsel van de oorsprong van al die gedachten en woorden, die na zijn dood hun werkzaamheid behielden. Dit lijkt me al afdoende bewijs tegen het standpunt van Dick Swaab en consorten, als zouden wij niets zijn dan ons brein. Want het zijn niet de hersenen die de biotoop van gedachten vormen, nee, hun element wordt gevormd door de levende taal, het geanimeerde gesprek, het poëtische boek en de filosofische dialoog.

Ik vertelde u dat ik een gretig zwemmer ben. Ik voel mij zelden méér in mijn element dan wanneer ik mijn trage banen trek, gekoesterd door een vloeistof die mij het liefst zou doden om mij weer geheel in zich op te nemen. Het staat mij echter nog scherp voor de geest hoe ik ruim vijftig jaar geleden op tamelijk hardhandige wijze met het water vertrouwd werd gemaakt, hoe enerverend het was voor het eerst in het diepe gegooid te worden. Er is dus een ingrijpend, en in eerste instantie onvrijwillig leerproces nodig geweest om mij als landdier tot zwemmer te doen transformeren.
Filosofen leven in taal en denken. Wanneer dit hun element is, ervaren ze een totale vrijheid om de onmetelijke ruimte van de geest te doorkruisen, als gierzwaluwen die het grootste deel van hun leven in de lucht doorbrengen en slechts op de aarde neerdalen om nageslacht uit te broeden. Maar net zo min als zwemmen zijn denkdiscipline en schrijverschap kwaliteiten waarover men van nature beschikt. Denken en schrijven moet je je eigen maken. Het is de taak van universiteiten daartoe gelegenheid te bieden. De uitreiking van een prijs voor degene die zijn gedachten het meest wendbaar kan uitdrukken in het Nederlands, is daarbij een formidabele prikkel.

Inleiding door dr Piet Gerbrandy bij de uitreiking van de Geert Grote Pen 2015, 19 juni 2015

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie