Denken, dat zelf een doen is

0
1

Tijdens de presentatie van het boek Negatieve dialectiek van Theodor W. Adorno op zaterdag 13 september bij Boekhandel Roelants in Nijmegen hield de vertaler van het boek, Michiel van Nieuwstadt, een lezing. U kunt hieronder de tekst nalezen. Ook Ger Groot ging in op de betekening van deze uitgave. U kunt zijn lezing hier bekijken.

I.
Steevast wordt de `Negatieve dialectiek’ van Theodor W. Adorno een moeilijk, een hondsmoeilijk dan wel een weerbarstig  boek genoemd.  Toch vermijd ik het niet om die reden om het over de inhoud van dit boek te hebben – dit boek, in welks teken en ter promotie waarvan deze kleine feestelijke bijeenkomst hier is georganiseerd. De moeilijkheidsgraad van dat boek is door en door eigen aan het arsenaal van het denken dat erin beoefend wordt; het verzet zich tot in zijn binnenste vezels tegen de gladde pasmunt van een gestroomlijnde communicatie. Voor dit denken is op elke bladzijde de vraag naar de weergave ervan in taal, naar de `Darstellung’, aan de orde. Dat probleem alleen al zou een bijeenkomst als deze – maar dan een van vele uren langer – verdienen. `Waar filosofie van haar uitdrukkingsmoment en haar plicht tot talige representatie afziet, komt zij in het verlengde van de wetenschap te liggen.’[i] Via haar uitdrukkingsmoment keert de filosofie haar niet-begripssmatige kant naar voren. Adorno zelf heeft ergens in dit boek bovendien gezegd dat filosofie, die die naam verdient, `in wezenlijke zin niet refereerbaar’ is. En refereerbaar moet hier worden verstaan als: in een referaat samen te vatten, of gewoon: samenvatbaar. Hij verduidelijkt dat met te zeggen dat: `Bij de filosofie een ervaring wordt bevestigd, die Schönberg ten aanzien van de traditionele muziektheorie heeft opgetekend: je leert van die muziektheorie eigenlijk alleen maar hoe een muzikaal deel begint en eindigt, niets over zo’n deel zelf, over het verloop ervan. Analoog daaraan zou filosofie zich niet in categorieën moeten onderbrengen, maar in zekere zin eerst aan het componeren moeten slaan. Zij moet zich in haar voortgang onophoudelijk vernieuwen, uit eigen kracht evengoed als uit de wrijving met datgene waaraan zij zich meet; wat zich in haarzelf afspeelt is van beslissend belang, niet these of positie; het weefsel, niet de deductieve of inductieve, eensporige gedachtegang. Daarom’, zo zegt Adorno dan, `is filosofie in wezenlijke zin niet refereerbaar. Anders zou ze overbodig zijn; het pleit tegen haar dat ze zich meestal laat refereren.’[ii]

Daarom wil ik u dus om te beginnen een paar ogenblikken meenemen naar een punt voor en een punt na deze `Negatieve dialectiek’, naar wat er door Adorno uit afgezonderd werd, apart werd gezet en eruit werd afgescheiden. Want net zoals dat bij bepaalde natuurverschijnselen het geval is, neem je sommige dingen nu eenmaal beter waar door de blik op een punt te richten er juist naast. In de veronderstelling dat het licht dat dit op de `Negatieve dialectiek’ werpt, verhelderend is. En vervolgens wil ik die kleine choreografie van stappen rond dit bijzondere boek afronden door via de eerste en de laatste zin ervan toch toegang te zoeken tot het gehalte ervan. En zo de ongenaakbaarheid die van dit boek uitgaat enigszins opheffen.

Ik begin aan de voorkant, bij wat Adorno al tijdens het schrijven uit zijn `Negatieve dialectiek’ als een vooral tegen Heidegger gericht pamflet afzonderde en apart publiceerde.  Ik doel op de kleine, aaneengesloten tekst van toch altijd nog zo’n honderddertig bladzijden, die in 1964 in een oplage van tienduizend exemplaren als pocket in de edition suhrkamp verscheen en die heette of nog steeds heet: `Jargon der Eigentlichkeit. Ondertitel is – en ook dat is in dit verband van belang – : `Zur deutschen Ideologie’. Je zou op grond van die ondertitel kunnen denken dat er sedert de tijden dat Marx en Engels hún `Duitse ideologie’ schreven : ongeveer honderdtwintig jaar eerder dus, in zekere zin niets wezenlijks was veranderd. Over die Deutsche Ideologie later meer. – Misschien omdat dit pamflettistische `Jargon der Eigentlichkeit’ al te polemisch uitviel, hoewel: zo’n polemische toon was Adorno nooit echt vreemd, maar zeker omdat het door zijn focus op taal en zijn deels sociologische aanpak enigszins misstond tussen het vaak strikt vakfilosofische karakter van de rest, zonderde hij dit vlammend en tegelijk sierlijk geschreven pamflet af uit wat hij toen nog een `work in progress’ noemde; de `Negatieve dialectiek’ had nog geen titel. Op een voordrachtsavond ter uitgeverij in november 1964  ter gelegenheid van het verschijnen van dit `Jargon der Eigentlichkeit’ zag hij zich herhaaldelijk gedwongen even te pauzeren; dit vanwege het luide gelach en het applaus uit het publiek. De afzonderlijke verschijning van het Jargon-boekje  maakt de presentie van Heidegger als filosofisch object van kritiek in deze `Negatieve dialectiek’ er niet minder om: zijn hele filosofische `grondplan’ moet eraan  geloven, zo heeft Ger Groot het in zijn recensie ervan in Trouw uitgedrukt. Hoewel het onder commentatoren her en der usance lijkt te zijn geworden om Adorno’s hang naar het niet-identieke en Heideggers `openende’ denken, waarin het zijnde zich kan tonen, te kwalificeren als loten van een en dezelfde stam, kan het voorlopig bij de lectuur van dit boek geen kwaad om de verschillen tussen beide denkers eerst maar eens goed in het oog te nemen.

Dit over wat er aan de voorkant van de `Negatieve dialectiek’ gebeurde. Wat de achterkant betreft, de nageschiedenis,  het volgende. In 1969 verschijnt, in hetzelfde jaar dus waarin Adorno, nog niet meer dan zesenzestig jaar oud overleed, de essaybundel `Stichworte’. Daarin staan als de enige twee essays die nog niet eerder elders waren verschenen wat de schrijver ervan: `Dialektische Epilegomena’ heeft genoemd: wat nog gelezen moet worden bij (`epi-‘) de Dialectiek, de `Negatieve dialectiek’ die in 1966 was verschenen. De tweede van die twee Epilegomena-teksten is getiteld `Marginalien zu Theorie und Praxis’.

Bij alle scherpzinnigheid, die bij Adorno nimmer ver te zoeken is, valt de aandachtige lezer hier onvermijdelijk een zekere korzelige geërgerdheid, om niet te zeggen verbittering op. Hoe bezwaarlijk dat ook is bij teksten die zo doorgecomponeerd zijn, wil ik toch weer een paar citaten geven en die dus ruw uit hun context wrikken. En natuurlijk staan deze `marginalia’ evenmin los van de snelle opkomst en groei in de tweede helft van de jaren zestig van de studentenbeweging, van de SDS, van de ApO, de buitenparlementaire oppositie; die zijn van deze marginalia zelfs rechtstreeks de adressaat of de erin aangesprokene.

Een eerste citaat:: `Foutieve praktijk is er geen. Vertwijfeling die, omdat zij elke uitweg versperd ziet, zich blindelings op de praktijk stort, sluit – ook al is haar wil volkomen zuiver – een verbond met het onheil. Vijandigheid jegens theorie die in de geest des tijds past, het allerminst toevallige afsterven ervan, de minachting ervoor van de kant van het ongeduld dat de wereld veranderen wil zonder haar te interpreteren (…) – een dergelijke theorievijandigheid verandert in een zwakte van de praktijk. Dat daarvoor de theorie dient te buigen, maakt het waarheidsgehalte van die theorie ongedaan en veroordeelt praktijk tot iets wat paranoïde van aard is; het wordt ook praktisch gezien tijd om dat maar eens openlijk uit te spreken.’[iii] En verderop wordt zo’n starre, dwangmatige obsessie met de praktijk `pseudo-activiteit’  en pas `echt aangepast’ genoemd. En in de slotparagraaf van deze uit veertien paragrafen bestaande tekst staat te lezen: `Marx’ leer over de eenheid van theorie en praktijk, sloeg – en dat waarschijnlijk vanuit het voorgevoel dat het anders te laat zou kunnen zijn – op het hier en nu. In zoverre was die leer zeker praktisch; maar er ontbrak (…) in de kritiek van de politieke economie elke concrete overgang naar die praktijk die volgens de elfde these over Feuerbach de raison d’être van die theorie zou moeten zijn.’[iv]

II.
Drie jaar tevoren, toen de `Negative Dialektik’ verscheen, had de openingszin daarvan geluid en ik zou die zintuiglijk – voor het gehoor – met het vele wit willen omringen dat hem zo des te beter doet uitkomen:

`Filosofie, die ooit achterhaald leek, blijft in leven omdat het ogenblik van haar verwerkelijking werd verzuimd.’

Er wordt na die beginzin verder niets geëxpliciteerd of uitgelegd; er is geen expliciete verwijzing naar Marx, alleen de heel impliciet blijvende toespeling op de elfde these over Feuerbach, daar waar Adorno – ongeveer acht regels na het begin – schrijft: `Misschien was de interpretatie niet toereikend die de overgang naar de praktijk in het vooruitzicht stelde’. Die elfde these over Feuerbach, ze werden opgesteld – die theses – door Marx als een soort toevoeging bij Marx’ en Engels’ `Duitse ideologie’, luidde (men zou het kunnen zijn vergeten): `De filosofen hebben de wereld enkel verschillend geïnterpreteerd; het komt er echter op aan haar te veranderen.’ Er is ook geen verwijzing – wat je op grond van de letterlijke tekst van de aangehaalde eerste zin ook nog zou kunnen verwachten – naar de radenbeweging en de März-Revolution in Duitsland van 1920; Adorno was toen zeventien en hij moet destijds communistische sympathieën hebben gehad.  `Filosofie, die ooit achterhaald leek, blijft in leven omdat het ogenblik van haar verwerkelijking werd verzuimd’: wat aan die merkwaardig wiegende zin ook opvalt is de misschien wel meer dan dubbele bodem ervan en een even dubbele verhouding tussen heden en verleden.

Juist uit dat schijnbaar minieme `verzuimde ogenblik’ – halen de meer dan vierhonderdvijftig bladzijden van dit wondermooie boek hun elegante spankracht en hun elan. Het is een naar mijn weten tot dusverre verder onopgemerkt gebleven karakteristiek van die spankracht – van de enorme spanningsboog die er in dit boek zit – dat ook in de laatste zin ervan het woord `ogenblik’ kardinaal is en herhaald word. Die laatste zin nu luidt – en ook hier is weer enig wit van node; ook hier is weer – en dan in het klein – dat wiegende terugnemen in het ene deel van het andere deel van de zin bemerkbaar:

‘Zulk denken is met metafysica solidair op het ogenblik van haar val.’

Weinig twijfel dat met die metafysica, die Adorno tegelijkertijd zijn leven lang – bijna letterlijk in de lijn van Nietzsche – in haar dogmatische vorm had bestreden, een metafysica van het geluk en van de kindertijd bedoeld was: de verwijzingen naar Proust en naar de plaatsnamen uit zijn eigen jeugd – Otterbach, Watterbach, Reuenthal, Monbrunn – hebben dat aan het begin van de `Meditaties over metafysica’ (die de afsluiting van het boek vormen) duidelijk gemaakt.

Het soort denken waarom het gaat wordt even tevoren zelf `gedrag’ en zelf `een `doen’ genoemd en dat vult ín het denken zelf de erin virtueel aanwezige behoefte aan de negatie ervan op. Op die laatste bladzijde staat: `Maar denken, zelf gedrag, draagt – om te beginnen als vitale noodzaak – de behoefte in zich. Vanuit de behoefte wordt gedacht, ook wanneer het wishful thinking is afgewezen. De motor van de behoefte is die van de inspanning die in het denken als doen ligt opgesloten. Voorwerp van kritiek is daarom niet de behoefte in het denken, maar de relatie tussen beide. De behoefte in het denken wil echter dát gedacht wordt. Zij verlangt haar negatie door het denken, zij moet in het denken verdwijnen, wil zij reëel worden bevredigd, en in deze negatie overleeft de behoefte, in de binnenste cel van de gedachte datgene vertegenwoordigend wat niet haars gelijke is.’

Weinig bekend is dat Adorno en Horkheimer kort voor en kort na de tweede wereldoorlog en ook later nog in een aantal onderlinge discussies serieus met de mogelijkheid hebben gespeeld om een nieuw manifest in de lijn van het communistische te schrijven. Die discussies liepen voor een deel spaak op de vraag wat voor taal daarin in ’s hemelsnaam moest worden gehanteerd. Anderzijds wordt hun verhouding tot Marx geheel en al getekend door een constellatie die kernachtig samengevat ligt in de formulering die spreekt van een verhouding tot een `Marx minus het proletariaat’, zoals die later in de titel van een hoofdstuk uit Susan Buck-Morss’ vroege studie over de oorsprongen van de `Negatieve dialectiek’ opduikt. Al vanaf dat andere dialectiek-boek, de `Dialectiek van de Verlichting’ uit 1947, was de theorie van de voormannen van de Frankfurter Schule flessenpost geweest: niet meer gericht tot een welomschreven groep of klasse. En het was zelfs onduidelijk op welk strandje zij zou kunnen aanspoelen.

Nog in een brief aan Thomas Mann uit 1952 en in tal van andere uitlatingen zet Adorno vraagtekens en slangelijntjes bij het te positivistisch getinte of te burgerlijke taalgebruik van Marx; en wat een van zijn laatste notities voor zijn dood geweest moet zijn, een notitie gedateerd juli 1969, begint met te zeggen: `Längst sind mir die Sprachmanieren von Marx suspekt. Wie aber, wenn eine einschneidende Kritik der gesamten Theorie von der Sprache her zu führen wäre. Etwa die abgeleitete Rhetorik und Metaphorik – zeugt sie nicht geschichtsphilosophisch gegen ihn.’[v]

Het behoort – dit tot slot – óók nog tot de kleine choreografie rond de `Negatieve dialectiek’, dat Adorno onmiddellijk na het verschijnen daarvan, dus na november 1966, aan de definitieve versie van zijn `Ästhetische Theorie’ begon, die als complementair ten opzichte van zijn filosofische hoofdwerk moet worden beschouwd en die –  hoewel minstens even omvangrijk als zijn voorganger – onvoltooid, een soort torso, is gebleven. De `Ästhetische Theorie’ ís aan het dialectiekboek complementair omdat kunst de kennis inderdaad `complementeert’ met wat daarvan wordt buitengesloten. Met de vraag: `kan theorie esthetisch worden?’ heeft de filosofische common sense op deze wending gereageerd; maar het is duidelijk dat een verhouding tot de objecten zoals een esthetica die in haar vizier heeft,virtueel inderdaad een heel andere is dan die waartoe het denken doorgaans is veroordeeld.

Michel van Nieuwstadt
13 september 2014

[i]    Theodor W. Adorno, Negatieve dialectiek, Uitgeverij Klement, Zoetermeer 2014, p. 28

[ii]   O.c.,  p. 45

[iii]  Id., Marginalien zu Theorie und Praxis. In: Stichworte, Frankfurt am Main 1969, p. 176

[iv]  O.c., p. 190.

[v]   Id., Graeculus (II). Notizen zu Philosophie und Gesellschaft 1943-1969. In: Frankfurter Adorno Blätter VIII, p. 9-41; hier p. 38.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER