Een lange denkweg

0
1

Een leven lang maakte Samuel IJsseling de ontwikkelingen in de Europese filosofie van nabij mee. In een reeks gesprekken met Ger Groot blikte hij op zijn leven terug. De neerslag daarvan verscheen in boekvorm, onder de titel Dankbaar en aandachtigEen sleutelmoment in IJsselings leven vormt zijn verblijf in Parijs, waar hij ooggetuige was van de meirevolutie van 1968 en kennismaakte met Jacques Derrida, die zijn denken zou veranderen. Hieronder een fragment uit Dankbaar en aandachtig waarin hij met Ger Groot in gesprek is over de gebeurtenissen in Parijs 1968.

‘In 1967 ging ik naar Parijs om een boek te schrijven over hermeneutiek en te zien wat daar filosofisch zoal aan de hand was,’ vertelt Samuel IJsseling. We zitten in de werkkamer van zijn appartement aan de drukke Bondgenotenlaan in Leuven. Vanuit zijn boekenkasten blikt zijn filosofisch geweten bijna plafondhoog op ons neer. Tijdens onze gesprekken springt hij regelmatig op om er een boek of artikel uit op te diepen. Steevast gevolgd door het genereuze aanbod: ‘Als je het wilt lezen, mag je het wel lenen.’

In Parijs volgde hij colleges bij Paul Ricoeur, die doceerde in Nanterre, in het westen van de stad. Daar maakte hij kennis met de verkommerde staat van het  Franse universitaire onderwijs. Het was een enorme bende, zo herinnert hij zich – en hij vraagt: ‘Was dat in jouw tijd ook nog zo?’ Jawel, zeg ik. Ook ruim tien jaar later, toen ik zelf in Nanterre studeerde, vielen de chaos en de rotzooi in de collegegebouwen mij rauw op het dak. ‘Ricoeur gaf zijn lessen voor collegezalen van vijfhonderd mensen’, zo herinnert IJsseling zich. ‘Al die tijd liepen er studenten in en uit. Ik kan me wel voorstellen dat de opstand toen daar begonnen is.’

IJsseling maakte haar van nabij mee. Enkele weken lang vormden de straten van Parijs het toneel van de hevige rellen. Op het vlak van de sociale, persoonlijke en niet in de laatste plaats seksuele verhoudingen liet dat blijvende sporen na.

‘Ik denk dat mensen nu onderschatten hoe autoritair de verhoudingen voor ’68 waren,’ zegt IJsseling. ‘Het was een bange, kleine wereld. En plotseling leek er een heel ander soort samenleving te ontstaan.  Over alles kon gediscussieerd worden; dat was daarvóór bijna ondenkbaar. Het was een feest, hoor. Het weer was prachtig, en overal kreeg je broodjes voor niks. De metro reed niet meer; heel sporadisch kwam er een auto voorbij. Je hoefde maar je vinger op te steken en je werd meegenomen.’

IJsseling hoorde Daniel Cohn-Bendit spreken, de belangrijkste studentenleider van die dagen, en woonde in het Odéon-theater eindeloze vergaderingen bij. Sartre stak er de studenten een hart onder de riem. ‘En er waren natuurlijk de geijkte vijanden. Raymond Aron was de kop van jut, hoe groot hij als denker ook was. En ook Ricoeur zat tussen twee vuren. Op Nanterre hebben studenten een vuilnisemmer boven zijn hoofd omgekieperd. Dat vond ik onrechtvaardig. Ik denk dat hij wel begrip had voor wat de studenten wilden.’

Zelf koesterde IJsseling tweeslachtige gevoelens. Af en toe vroeg hij zich af: moet dat nu allemaal zo drastisch? Die ambivalentie deelde hij met Jacques Derrida, die hij kort daarvoor ontmoet had bij een werkgroep over Hegel. Dat werd voor IJsseling de meest ingrijpende gebeurtenis van zijn verblijf in Parijs. Zijn filosofische blik veranderde erdoor en in één klap werd het project dat hij onder handen had, onmogelijk.

‘Door die nieuwe Franse inzichten werd ik totaal overrompeld,’ bekent hij. ‘Terwijl ze wel goed aansloten bij de late Heidegger die ik toch goed kende: het afscheid van het subject als de factor die alles bepaalt. Het besef dat betekenis niet wordt gemaakt door het menselijk zelfbewustzijn, maar dat dat laatste zèlf wordt voortgebracht door een structuur of een dynamiek waarin het is opgenomen.’

Derrida was op dat moment alleen nog in beperkte kring bekend. ‘Bij zijn seminair zat maar een klein groepje’, zo herinnert IJsseling zich. ‘Misschien een man of vijfentwintig. Wel al heel wat Amerikanen. Na afloop zijn we een keer samen naar het café gelopen waar hij gewoonlijk lunchte. Ik was nogal geïnteresseerd in wat hij over Heidegger dacht. En toen vertelde hij dat hij bezig was met een boek over hem, al had hij er al wel zijn twijfels over.’

Hij is nooit met Heidegger in het reine gekomen.
‘Nee. Het is bij hem altijd een mengsel gebleven van bewondering en aversie. Maar dat leidde wel tot een heel avontuurlijk denken, dat ik enorm opwindend vond. Heel anders dan dat van Ricoeur, dat vaak iets schoolmeesterachtigs houdt. Die onderzoekt het allemaal heel precies, het staat er kraakhelder uitgelegd en je kunt er veel van leren. Maar het was niet mijn stijl. Ook omdat Ricoeur uiteindelijk altijd weer terug wil naar het subject, al is het via een omweg. En omdat hij helemaal niets met Heidegger of met Nietzsche wist aan te vangen.

Later heb ik Ricoeur via het Husserl-Archief beter leren kennen. Een ongelooflijk vriendelijke man. Maar een asceet. Je kon met hem niet uit eten gaan. Ik herinner me dat ik een keer ’s avonds laat tegen hem zei: laten we een taxi nemen naar het hotel. Maar nee, een taxi was goddeloos. “Er is toch een metro…” Hij woonde in een soort protestantse communiteit, samen met onder anderen de historicus van de oudheid Henri Marrou. Hij had geen gemakkelijk leven. Een van zijn zoons had zelfmoord gepleegd. Een fijnzinnig man, een echte protestant, maar voortdurend overspannen…’

Ricoeur was niet de enige die Derrida verweet met zijn deconstructie het hele project van de rationele filosofie op te blazen. Toen Derrida enkele jaren later voor het eerst een voordracht hield in Leuven, viel dat niet in goede aarde. ‘Hij sprak er zijn beroemd geworden beschouwing over Nietzsche uit’, herinnert IJsseling zich. ‘Over diens uitspraak Ik heb mijn paraplu vergeten. Daar waren sommige mensen zeer ontstemd over. Dat was geen filosofie, vonden ze. Dat was hooguit literatuur.

Uiteindelijk is dat overigens wel goed gekomen. Derrida is heel vaak in Leuven teruggeweest om seminairs te geven. Toen gaven de meeste Leuvenaren zich wel gewonnen. Natuurlijk ook omdat Derrida een zeer charmante persoon was. En omdat bleek dat hij niet zomaar wat deed. Hij wordt heel vaak beschouwd als een soort anarchist. Maar hij kon heel precies lezen, wist een tekst echt tot in zijn kleinste details te belichten. Dat maakte indruk.’

Toch blinkt ook Derrida niet altijd uit in de helderheid die je in een filosofische tekst graag zou zien.
‘Ja,’ geeft IJsseling toe, ‘soms denk ik wel: ik begrijp werkelijk niet wat je daarmee bedoelt. Ik vermoed dat hij gaandeweg het slachtoffer is geworden van zijn populariteit. Hij hoefde maar vijf regels op papier te zetten en het werd onmiddellijk gedrukt. En vervolgens van zijn computer. Daar kun je eindeloos op doorschrijven, en soms kun je dat bij hem ook zien. Neem zijn artikel over Levinas, Geweld en metafysica, uit de jaren zestig. Dat is schitterend opgebouwd. Het is kritisch, maar laat tegelijk zien hoe belangrijk Levinas is, op een moment waarop die nog lang niet zo bekend was. Maar wanneer hij later opnieuw over hem schrijft, is dat lang zo goed niet. Alles wordt uitgesponnen en kabbelt zo’n beetje door.’

Toch is Derrida voor IJsseling de meest inspirerende denker van zijn generatie gebleven. Hij trok op de meest doortastende manier de consequenties uit de wending die zich in de Franse filosofie vanaf de jaren vijftig heeft voorgedaan. Vrijwel alle denkers uit die tijd vertrokken vanuit de fenomenologie – maar dan wel om vervolgens daartegenin te denken.

Terwijl de fenomenologie zich helemaal richtte op het bewustzijn en dat centraal stelde, benadrukten jongere denkers als Derrida, Foucault, Althusser en Lacan dat het bewustzijn op zijn beurt een effect is van iets anders. En dat onbewuste is, zoals Lacan het bondig zou uitdrukken, niets anders dan de taal zelf. Niet het woord dat de spreker meent in de mond te nemen en waaraan hij naar eigen believen betekenis denkt te geven, maar de taal waarin hij zich zelf sprekend moet invoegen en die hem daarin zijn plaats en zelfs zijn bestaan toeschrijft.

‘Dat wil zeggen dat betekenisproductie niet volkomen beheersbaar is,’ zegt IJsseling op zijn werkkamer. Die gedachte is hem dierbaar. ‘Al wat is verwijst altijd naar iets anders, en is daarop aangewezen om te kunnen bestaan en te kunnen worden verstaan. Dat geldt bij uitstek voor het mens-zijn, maar ook voor elk ding, elk woord, elke daad, gebeurtenis of gedachte. Alles heeft een context, of die nu talig van karakter is of reëel. Maar ook daarin ligt de betekenis niet vast. Zoals een tekst of een woord binnen een andere context een andere lading krijgt, zo verschieten ook de dingen in de werkelijkheid voortdurend van kleur, omdat die werkelijkheid zelf steeds in beweging is.

Geen enkele auteur is ooit volkomen heer en meester over zijn tekst. Ook niet over de tekst die hij zelf schrijft. En geen enkele lezer kan ooit helemaal begrijpen wat er geschreven staat in de tekst die hij leest.  Voor mij was dat toen in Parijs een nieuw inzicht, schokkend zelfs. Met het boek over de hermeneutiek dat ik er had willen schrijven, kon ik onmogelijk doorgaan. Het idee dat interpretatie een zoektocht was naar de waarheid moest ik loslaten. Dat werd nog sterker toen ik kort daarna kennismaakte met het denken van Nietzsche. Je zou kunnen zeggen dat de filosofie bij hem een object wordt. Een bouwwerk, een constructie.’

En wat is ze dan níet?
‘De filosofie is niet de weerspiegeling van de werkelijkheid. Net zo min als een gebouw dat is. Denk aan wat Heidegger zegt over de beroemde tempels in Paestum. Die komen niet overeen met iets, maar daar wordt wel iets in onthuld. Er komt iets in aan het licht. Dat zou ik ook van de filosofie willen zeggen. Ze is een schitterende constructie, waarin we ons ook op een bepaalde manier thuis weten of voelen. Als in een soort kunstwerk. Misschien is filosofie niets anders dan dat.

Van oudsher leeft de filosofie van de pretentie volkomen autonoom en principieel inzichtelijk te zijn. Maar zij kan die pretentie nooit waarmaken. Filosofie is volgens mij allereerst een tekst, een kwestie van lezen en schrijven. Voordien realiseerde men zich dat eigenlijk niet zo. Filosofen waren wel de hele dag met teksten bezig, maar ze gaven zich er nauwelijks rekenschap van wat dat betekende.’

Overzie je de ontwikkeling van de Franse filosofie tussen de jaren zestig en negentig, dan zie je een enorme ommezwaai. Niet alleen omdat het thema van de religie, waarop in de jaren zestig door bijna alle denkers werd neergekeken, bij een aantal van hen steeds belangrijker is geworden. Maar ook omdat de filosofen die doordachten op het structuralisme, steeds meer oog kregen voor de ethiek. Van een uitgesproken ethische stellingname wilden ook jongere denkers als Foucault en Derrida aanvankelijk weinig weten – en dat werd hun regelmatig kwalijk genomen. ‘Postmodernen’ werden ze genoemd: flierefluiters die samen het ‘goede’ al net zo onbekommerd lieten verdampen als het ‘ware’

‘Daarmee werd hun in hoge mate onrecht aangedaan’, zegt IJsseling nu. ‘Zij waren ten zeerste maatschappelijk betrokken. Maar in hun filosofische werk kwam dat pas later expliciet tot uitdrukking. Dan gaat Derrida schrijven over dierenrechten, xenofobie en de perverse kanten van de strijd tegen het terrorisme. Je zou kunnen zeggen dat hij daarmee dichter in de buurt komt van Levinas, die de ethiek altijd al op de eerste plaats gezet heeft. Maar ik denk niet dat dat zo is. Levinas spreekt wel vol eerbied over “de weduwe en de wees”, maar heeft weinig of geen aandacht voor de concrete ander: de Palestijnen, de sans papiers of ongewenste vreemdelingen, de studenten. In dat opzicht is hij het tegendeel van Derrida.’

Het is niet de eerste keer dat IJsseling zich gereserveerd uitlaat over Levinas. Dat is opmerkelijk. In  Nederland geniet hij een bijna unanieme bewondering, ja zelfs verering. ‘Waarom ik bij Levinas mijn bedenkingen heb?’ herhaalt IJsseling mijn vraag. ‘Ik mis bij hem elke waardering voor het heilige en voor een niet-joodse en niet-christelijke religie. Kortom voor het heidendom.’

Het hoge woord is eruit. In de loop der jaren heeft het woord ‘heidendom’ voor IJsseling een steeds positiever klank gekregen. Van het bijbelse monotheïsme ging hij naar het heidense polytheïsme, van het denken in termen van eenheid naar de veelheid. Niet in de laatste plaats om ethische redenen – al werd dat niet door iedereen begrepen of gewaardeerd.

‘Ook voor mij ging dat niet een-twee-drie,’ zegt hij. ‘Eerst moest ik me losmaken van het klassieke waarheids-ethos van de filosofie om oog te krijgen voor de kracht van de retoriek. In het verlengde daarvan kwam mijn hernieuwde belangstelling voor de Griekse godenverhalen. Daarin zie je een heel ander soort bestaanservaring en moraal naar voren komen. Dat is een lange denkweg geweest. In mijn latere boeken heb ik die stap voor stap moeten afleggen.’


Lees het volledige gesprek tussen Samuel IJsseling en Ger Groot in het boek Dankbaar en aandachtig waarin ook een voorwoord van Hans Achterhuis. Van Ger Groot verscheen onlangs het boek Religie zonder God dat hij samen met Theo de Boer schreef.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER