Religie

Gebonden aan de beperkingen van de werkelijkheid

Theo de Boer en Ger GrootWat moeten we vandaag de dag aan met God en het verschijnsel ‘godsdienst’? In het boek Religie zonder God gaan de filosofen Theo de Boer en Ger Groot (ooit leermeester en student) daarover met elkaar een gesprek aan. De God van de rationele, natuurlijke theologie is gestoven, aldus De Boer, maar dat was maar één gestalte waarin mensen Diens mysterie kunnen ondergaan. God is voor de religie helemaal niet zo belangrijk, voert Groot aan. Het leven krijgt allereerst betekenis door de ervaring van het ritueel. Een fragment uit het betoog van die laatste volgt hier als voorpublicatie.

Het hardnekkige voortleven van de religie in een wereld die met de vooronderstellingen daarvan korte metten denkt te hebben gemaakt, wijst diezelfde wereld op de tekortkomingen van haar eigen denkkader. Waar werkelijkheid en idee op elkaar botsen, moet er bij minstens één van beide immers iets fout zitten. Het belijdend atheïsme van vandaag meent die fout geheel op het conto van de werkelijkheid te kunnen schrijven. De domme wereld wil zich eenvoudigweg niet richten naar de inzichten van het denken: daarin ligt de kortzichtigheid van de hedendaagse gelovige, die er dan ook geen recht op heeft serieus te worden genomen.

Verstandiger lijkt het de werkelijkheid iets meer krediet te verlenen en te erkennen dat de hardnekkigheid een zekere onmacht blootlegt binnen het denken zelf. Op het feit van de voortbestaande godsdienst ketst uiteindelijk ieder argument af. De godsdienst is als hinderlijk feit misschien een domheid, maar dan wel één die het denken niet buiten zichzelf kan werpen. Ze is voor het zelfbegrip daarvan even belangrijk als de domheid van het bestaande dat er – domweg – nu eenmaal is, wàt wij daarvan ook mogen denken.

Met deze erkenning van de materialiteit van de godsdienst zijn we echter nog niet aangekomen bij de betekenis van het religieuze zelf. In deze onderkenning van de voorrang van het zijnde boven het gedachte of denkbare ligt naar mijn overtuiging echter wel de sleutel tot het raadsel van de betekenis van de godsdienst in zijn inwendige, in eigenlijke zin religieuze dynamiek.

In wat ik ooit ‘religieus materialisme’ heb genoemd vormt de feitelijke werkelijkheid van het godsdienstige fenomeen daarbij het uitgangspunt. De wijze waarop de religie bestaat en zich vertoont is doorslaggevender dan de vraag wat zij zegt. Haar zijn en haar handelen zijn belangrijker dan haar dogma – simpelweg omdat dat in ieder geval werkelijkheden zijn en dat van de inhoud van het dogma nog maar moet worden afgewacht. Zo ‘dom’ als de feitelijkheid van de religie is, zo onbetwistbaar is ook haar bestaan. Bij dat gegeven moet het antwoord op de vraag naar haar betekenis en effectiviteit aanvangen.

Daartoe moeten we ons om te beginnen losmaken van het hardnekkige misverstand dat het religieuze fenomeen zou bestaan uit een ideële (‘dogmatische’) inhoud die ‘verpakt’ zou zitten in een verbaal en fysiek omhulsel van teksten, rituelen en gebruiken. Dat misverstand is wijdverbreid en begrijpelijk. Toch ligt juist in dit misverstand veelal de oorzaak van de onnozele strijd tussen wetenschap en geloof die we vandaag de dag meemaken en die beide schaadt.

Ten onrechte wordt het hart van de religie dan immers gezocht in eenzelfde soort idealiteit als die waarin het moderne denken het hart van zijn wetenschap is gaan zoeken. Godsdienst zou een theorie van de wereld zijn, waarin een wonderlijk soort kosmologie bedreven wordt. Ergens in het heelal zou zich een bijzondere macht ophouden, die zowel persoonlijk als allesdoordringend is en die boven alle natuurlijke causaliteit uit het wel en wee van de wereld bestiert.

Willen we aan de daardoor opgeroepen verwarring ontkomen, dan zullen we de religie moeten leren zien als iets dat haar niet tot een concurrent van de wetenschap maakt, maar daar juist radicaal van doet verschillen. Godsdienst is niet een alternatief soort theorie over de werkelijkheid, maar iets dat zich in de eerste plaats helemaal niet op het vlak van het beschouwende of zelfs van het denken afspeelt. Hij is in dat opzicht inderdaad het ‘domme’ gegeven dat het belijdend atheïsme van hem maakt – maar zonder door die bepaling theoretisch te worden gediskwalificeerd.

Haaks staan op het beschouwelijke wil immers zeggen: behoren tot een andere dimensie dan die waarin het denken ‘dom’ kan zijn. Niet spreken maar doen is haar primaire bestaanswijze. En zelfs áls zij spreekt, doet zij dat op de wijze van een handeling en niet van de uiting: dat zij spreekt is belangrijker dan wat zij zegt. Dat laatste kenmerk is typerend voor wat wij een rituele formule noemen, waarin niet de mededeling (de theoretische inhoud van het gezegde) er toe doet, maar de fysieke handeling van het spreken, prevelen of schreeuwen.

Dat in het merendeel van de godsdiensten het rituele gebed of de liturgische frase geformuleerd is in een taal die de gelovige helemaal niet verstaat, wordt in dit licht een stuk minder bizar. Om ‘verstaan’ gaat het helemaal niet, althans niet in de eerste plaats. Wat telt is de handeling die met deze ‘kwasi-uiting’ wordt verricht. De woorden zijn daarin in verregaande mate van hun communicatieve kracht ontdaan en bestaan voornamelijk als gebaar. Zij gaan op in het rituele geheel waarin woord en handeling niet meer te onderscheiden zijn. Tezamen vormen zij de gebeurtenis waarin het religieuze gestalte krijgt. In het ritueel bestaat de godsdienst, als een zichtbaar en onomstotelijk werkelijk gegeven. Dàt is het punt van waaruit de betekenis van die realiteit moet worden begrepen.

Natuurlijk ligt de objectie voor de hand. Gebeden en liturgische frasen mogen dan ritueel zijn en hun formulering soms duister of exotisch, uiteindelijk zeggen ze toch iets óver iets, zo zullen de godsdienstcritici en ook veel gelovigen zeggen. Zo ondubbelzinnig ligt het echter niet.

Ongetwijfeld heeft een dergelijk godsdienstig realisme in de geschiedenis zijn bestaansrecht gehad. Maar met de verinnerlijkingsbeweging die het christendom van begin af aan eigen is geweest, zijn religieuze handeling en religieuze voorstelling uit elkaar gegroeid. De laatste moest het zonder de eerste kunnen stellen en de eerste bleef daarmee uiteindelijk verweesd achter. Als de godsdienst kan leven zónder ritueel, dan heeft de ritus zijn bestaansrecht verloren: die conclusie werd in het protestantisme in verregaande mate in praktijk gebracht. Slechts het Woord mocht erin een rol spelen en dat Woord moest in dienst staan van zijn betekenis.

De moderne tijd zal er niet rouwig om zijn dat dit religieuze woord langzaamaan is weggedeemsterd. Met het verdwijnen ervan zag hij het veld al open liggen voor een rationaliteit die zich aan geen grenzen meer hoefde te storen. Twee zaken werpen echter een schaduw op dit triomfalisme. Aan de ene kant de eerder geconstateerde feitelijke hardnekkigheid van de religie die zich van deze triomf niets lijkt aan te trekken. En aan de andere kant het verontrustende werkelijkheidsverlies waaraan de moderniteit blijkt te lijden en dat in de ontgrenzing van het denken zijn hoogtepunt bereikt.

Als godsdienst in de laatmoderne tijd nog een rol van betekenis kan hebben, dan kan dat slechts zijn als de tegenkant van de internaliseringsdrift die voor dat denken zo kenmerkend is. Anders dan de religie zo lang heeft gemeend, is zij niet in de eerste plaats een zaak van het hart maar van het lichaam, niet van het denken maar van het doen, niet van de beschouwing die het fysieke overstijgt maar van de ervaring die het fysieke in zijn onontkoombaarheid erkent.

Zo zegt de godsdienst wat gelovigen al zo lang hebben geweten: dat mensen geen engelen en al helemaal geen goden zijn, maar lichamelijke wezens die gebonden zijn aan de beperkingen van de werkelijkheid. Omwille van hun eigen realisme doen we er dan ook maar beter aan deze laatste te erkennen, in plaats van ons daaraan ontheven te wanen in een grenzeloze redelijkheid.

Ger Groot

N.a.v. Theo de Boer en Ger Groot: Religie zonder God. Een dialoog. Reeks Oratio, 120 pagina’s, paperback met flappen, 17,95.

 

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Reactie (1)

  1. Mariette Akkerman

    Al besef ik slechts een voorpublicatie gelezen te hebben, deze kijk op religie roept een groot aantal vragen op, waarvan ik er enkele hier wil stellen.
    Ten eerste lijkt Ger Groot het religieuze handelen te beperken tot rituelen. Maar waarom zou ethisch gedrag in onze omgang met anderen niet de verwerkelijking van een religieuze instelling kunnen zijn?
    Voorts suggereert hij een dualisme tussen doen en denken, en, vreemder nog, tussen hart en lichaam. Miskent hij de mogelijkheid van een religie waarin deze tegenstellingen helemaal niet bestaan?
    Ten slotte: hoe denkt hij uit het werkelijk bestaan van inhoudsloze rituelen de betekenis van religie te kunnen destilleren? Het lijkt alsof hij met deze feitelijkheid als uitgangspunt toch weer een wetenschappelijk criterium zoekt. Een beperking van religie…

Geef een reactie