‘Love is not loving’

0
1

Marc de KeselStaat het woord ‘liefde’ voor de gelukzalige toestand waarin je je bevindt als iemand van je houdt van wie ook jij houdt? Of staat het voor je verlangen naar iemand die van zijn of haar kant dat verlangen nog niet koestert en misschien wel nooit zal koesteren? Ons woord ‘liefde’ zegt beide tegelijk. We lezen er vooral de ‘roze wolk’ in die dit verschil uit het zicht moet houden.

Dit geldt niet het antiek Griekse Eros. Dit woord noemt enkel en alleen het hunkerend verlangen, de liefdespijn aangestoken door de blinde jonge god met die naam. Eros is de naam voor een probleem zonder oplossing, voor een verlangen dat met geen woord rept over eventuele bevrediging. ‘Love is not loving’, zingt David Bowie en vat daarmee de Griekse Eros treffend samen. We zijn verwond door een liefde die zelf niet tot liefde in staat is.

Dit zit heus in ons Nederlandse woord liefde, maar het wordt geneutraliseerd door een christelijke erfenis die er ook steevast in doorklinkt. Anders dan bij de antieke Grieken en Romeinen, heet het daar dat de liefde wel tot liefde in staat is. Love is loving, zou een christelijke Bowie zingen. Want Amor (nota bene een van de namen van God) verlost ons juist van alle pijnlijke liefdeshonger. Zijn liefde biedt een ticket naar hemelse vervulling. Wat niet meteen wil zeggen dat die goddelijke Amor geen wreedheid zou kennen. De liefde van de Vader kost de Zoon zowaar het leven. En de mens voor wie God en Zoon dat doen, wordt pas verlost wanneer hij op een of andere manier in dat offer meegaat. Echt veel zachtaardiger dan de Griekse Eros is de christelijke Amor dus niet.

Avond na avond vergapen wij ons voor het scherm aan mensen die zich door de grillige liefdesgod laten kwellen waarbij het achteraf lijkt alsof hun perikelen geen vergeefs offer waren, aangezien aan het eind van het verhaal steeds alles terecht komt. Al neemt dit laatste amper enkele seconden in beslag, het zijn seconden die het paradijs, het volmaakte huwelijk of ‘the fuck of the century’ (Basic Instincts, Paul Verhoeven, 1992) suggereren. De wondkoorts zaaiende liefde waarmee we ons vermaakt hebben, de offers die aan de wrange liefdesgod werden geplengd, bekijken wij bij voorbaat vanuit de roze wolk van een vervuld genot dat we zonder verpinken ook liefde noemen.

Wie tot de kern van de liefde wil doordringen, stoot onvermijdelijk op deze dubbelheid. Mijn recent verschenen boek, Niets dan liefde, wil die dubbelheid blootleggen en ontwaart daarin een eigengereide logica: de logica van de gift.

Die logica speelt een dominante – en, zoals blijkt, zelfs verpletterende – rol in de christelijke liefde. Gods liefdesgift is zo overweldigend, dat de mens eronder dreigt te bezwijken. In het licht van Gods genade blijkt de mens een ‘niets’ te zijn dat zich alleen nog recht kan houden aan zijn schaamte zijn Schepper nooit genoeg dank te kunnen betuigen.

Ook aan die andere, onvervulde en niet te vervullen liefde, Eros, ligt een logica van de gift ten grondslag. Want wat doen geliefden anders dan elkaar van alles schenken, inclusief zichzelf? Al kan geen gift het verlangen van de geliefde ooit helemaal vervullen. Gelukkig maar, want precies dat falen vormt de motor van de liefde. Waar men dat falen mordicus wil vermijden of ontkennen, ontaardt het liefdesspel steevast in barre wreedheid.

Niets dan liefde speurt naar de logica van de gift en doet dat in een kleine promenade van ‘vijf hoofdstukken, twee films en een middeleeuws miniatuur’.
In een eerste hoofdstuk staat de pur amour centraal, een bepaalde vorm van christelijke liefdescultuur uit de late zeventiende eeuw. Die heeft, zo leg ik uit, alles weg van het sadomasochistische universum uit Histoire d’O en sluimert zelfs nog in de manier waarop neoliberalisme en kapitalisme (Georges W. Bush bijvoorbeeld) garen weet te spinnen uit het christelijke fundamentalisme.

In het tweede en het derde hoofdstuk ga ik in na hoe het giftparadigma doorwerkt in de moderne politiek, en dit aan de hand van een geduldige analyse van twee films van Lars von Trier, Dogville (2003) en Manderlay (2005).

Waar ik in de eerste drie hoofdstukken mijn licht vooral laat schijnen op het negatieve – het ‘venijn’ – in de gift, trek ik in het vierde en vijfde hoofdstuk een positievere en tegelijk ook concretere kaart. Ik ga nader in op de ouder/kindrelatie en op de zogenaamde ‘zachte sector’ van de zorgberoepen, twee domeinen waar het paradigma van de gift wellicht het sterkst persisteert. Het is ook daar, zo luidt de stelling, dat een nieuwe, positieve bevestiging van het giftparadigma zich opdringt. Niet dat de gift er tot een ethisch imperatief kan worden verheven. Dit is juist niet het geval. En uitgerekend daarin ligt de ethische dimensie die in het vileine wonder van de gift besloten ligt.

De redenen die achter de keuze van de miniatuur op de omslag schuilgaan geef ik aan in de epiloog. Op haar manier toont de middeleeuwse iconografie van de eenhoorn tegelijk het heerlijke én het vileine van de gift die ten grondslag ligt aan deze broze, want op een enkele tak wankelende liefdesscène.
Marc De Kesel is filosoof, hij is docent aan de Arteveldehogeschool in Gent en senior onderzoeker aan de KU Leuven. Onlangs verscheen van zijn hand bij Uitgeverij Sjibbolet Niets dan liefde. Het vileine wonder van de gift.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER