Geen categorie

Niets maakt Europa onvrijer dan de vrije markt

‘Hoe is die vreemde vrijheid van het scheppen mogelijk in een tijd van ideologieën die de mensen in hun greep houden?’ Deze vraag van Albert Camus uit 1954 klinkt ruim zestig jaar later heel anders: de ideologieën waarnaar hij verwijst, hebben grotendeels afgedaan. De mens lijkt vrijer dan ooit, maar toch is één ideologie over: die van de wereld als neoliberale markt.

Het Europa van Camus, dat van de Koude Oorlog, was een continent van heldere grenzen: politieke, nationale, culturele, religieuze grenzen. De Muur scheidde oost en west, Amerika was een ver land, de reis per boot duurde twee weken. Maar ook West-Europa was een wereld van verschillen. Frankrijk was een ander Europa dan Duitsland of Nederland. Je reisde ernaartoe, aan de grens moest je stoppen – paspoorten, geld wisselen. Ons eigen landje, hoe klein ook, werd al doorgrensd: noord was protestants, zuid katholiek, en overdwars had je de zuilen. Hebben we ons van al deze scheidslijnen bevrijd? Is Europa, is de wereld grenzeloos geworden? Ja, zo houdt het neoliberalisme ons voor. Toch lijkt het er sterk op dat deze laatste grote ideologie – de ideologie van de ideologieloze 21ste eeuw – hopeloos achter de werkelijkheid aan loopt. Het neoliberalisme met zijn vanzelfsprekende sturing op marktwerking predikt een vrijheid waar niemand in kan geloven. Het predikt een wereld waarin niemand wil leven, behalve de weinigen die er hun vermogens door zien groeien. De vrijheid van de vrije markt is er een van angst, boosheid en verlegenheid met al wat vreemd is. In zo’n wereld worden grenzen opnieuw acuut, of men ze nu open wil houden of wil sluiten. In mijn oratie De vreemde vrijheid, verschenen als boekje bij Uitgeverij Sjibbolet, laat ik zien dat het in het debat over Europese grenzen veel minder gaat over vluchtelingen en migratiestromen die ‘ons’ zouden bedreigen, dan over de vrijheid van de vrije markt die de mensen massaal aan hun lot overlaat. Een fatale vrijheid.

Daarom is de vraag naar een andere vrijheid actueler dan ooit. Ik zoek naar een vrijheid die niet leidt tot rendement, en die van de mens geen ‘rendemens’ maakt: een vrijheid die geen vorm van zelfverwerkelijking is en weinig te maken heeft met autonomie. Wie vrij is, schept een wereld maar wordt tegelijkertijd door die wereld geschapen. Zo is vrijheid een confrontatie met het vreemde, in de wereld, in de mens, in onszelf. Daarbij gaat het om nieuwe verbeeldingen van de publieke ruimte. Het gaat om Europa als experiment en als horizon, waarin nieuwe betekenissen ontstaan van aloude woorden: schepping en verbeelding, transcendentie en secularisering, zingeving en spel, en vooral van vrijzinnigheid en humanisme.

Europa is in 2016 voor veel mensen een abstract verhaal. Voor mij ook. En dat is het al best lang. Sterker nog, sinds de totstandkoming van de Europese Unie, de oprichting van een Europees parlement en de invoering van de euro is Europa alleen maar abstracter geworden. Iets gaat er niet goed, maar wat? Europa is een economisch project: dát gaat er niet goed! Europa is gebaseerd op één heilig idee: de vrije markt. We leven in een tijdperk van algehele vermarkting van ons leven. Van het maatschappelijk leven: denk aan de zorgsector in Nederland, aan het onderwijs en de wetenschap. Maar ook van het persoonlijk leven: ieder wordt geacht ondernemer te zijn van zijn of haar eigen bestaan. Dat is naargeestig, want mensen worden op zichzelf teruggeworpen: zie maar dat je je vrijheid te gelde maakt! Het permanente ondernemerschap, zoals dat ons wordt voorgehouden in de retoriek van sommige vacaturebanken, is keihard en sluit veel mensen uit. Een voorbeeld dat we wel kennen van de reclamespots: ‘Volgens ons zijn er twee soorten mensen. Mensen die opzien tegen de maandag. En mensen die de maandag zien als een frisse start van de week. Die het verschil maken.’ Wie werkloos is, of zijn of haar leven en baan soms als zinloos ervaart, wie geen ‘verschil kan maken’, hoort bij de verkeerde soort mensen. Ik zou zeggen: Tot maandag! Als dit de trieste werkelijkheid is van Europa, dan begrijp ik goed dat mensen bang en boos worden, en ‘tegen’ zijn. Want het is een Europa dat de mensen aan hun lot overlaat. Er is geen publieke ruimte meer die mensen vrijheid geeft in plaats van dat ze die vrijheid zelf moeten realiseren. Een gezonde publieke sector gaat niet samen met neoliberale vermarkting, stelden Evelien Tonkens en Margo Trappenburg bij hun oraties aan de Universiteit voor Humanistiek, eind april. Mee eens. Als we daar niet snel iets aan doen, profiteert Wilders van de onzekerheid. Niet de vluchteling of de ‘linkse elite’ is de vijand, maar de neoliberale politiek die de mensen in de steek laat. Het verbaast me dat dit in het huidige debat over Europa en zijn grenzen nauwelijks een rol speelt, terwijl het toch zo voor de hand ligt. Een neoliberale politiek kan niets met vluchtelingen en hun lot: het reduceert ze tot quota. En zo’n politiek kan niets met de betekenis van grenzen, want die staan de grenzeloosheid van de markt in de weg. Paul Scheffer pleit voor het indammen van migratiestromen en het omgrenzen van Europa; Marli Huijer, ‘denker des vaderlands’, pleit in haar manifest dat vorige maand in deze krant verscheen – ik heb het ondertekend – voor juist voor een open Europa. Maar geen van beiden richten ze hun peilen tegen de ideeën van Rutte of Dijsselbloem, ideeën die de bouwstenen zijn van wat je terecht een nieuwe religie kunt noemen: de religie van de marktwerking. Het is een nieuwe religie omdat ze op geen enkele manier meer ter discussie kan en mag staan. En dat ondanks de diepgaande kritiek vanuit de wereld van het journalistieke en wetenschappelijke onderzoek: je hoeft er Joris Luyendijks boek over de Londense City of De Groene Amsterdammer maar voor open te slaan om te beseffen dat Den Haag en Brussel hun ogen sluiten voor alles wat de vanzelfsprekendheid van de markt bekritiseert.

Europa mag geen economisch project zijn, dat vooral de belangen dient van de winners en hun bankrekeningen. Europa is een politiek experiment, dat de betrokkenheid van zijn inwoners hard nodig heeft. Niemand herkent zichzelf in een referendum over een handelsverdrag. De echte vragen zijn politieke vragen, en gaan over de publieke ruimte die neoliberale politici nu net verwaarlozen. Eerste vraag: Hoe maken we ons continent leefbaar in een tijd dat nationale, culturele, religieuze grenzen veranderen? Het Europa van Schengen heeft het contact tussen bijvoorbeeld Italianen, Polen en Nederlanders enorm vergemakkelijkt en versterkt: daar kunnen we niet meer achter terug, en waarom zouden we dat willen? Maar Schengen betekent niet dat nationale en culturele achtergronden er niet meer toe doen, zoals het neoliberalisme beweert. We leven van tradities, en herscheppen ze van tijd tot tijd. Tweede vraag: En hoe open kunnen de grenzen rondom Europa zijn, niet alleen om vluchtelingen uit de ook door Europa veroorzaakte hel van Syrië op te vangen, maar ook om Europa in een globaliserende wereld een zinvolle plaats te geven? Met andere woorden: hoe zorgen we dat we sterk genoeg staan om, zoals Scheffer het zegt in zijn essay voor de Maand van de Filosofie, ‘op een duurzame manier de kring te verruimen van mensen met wie we ons vereenzelvigen’? Een antwoord op zulke vragen kunnen we niet ieder voor zich geven. We hebben elkaar dringend nodig, we hebben een andere politiek nodig. Een politiek die ons in staat stelt vertrouwd te raken met de vreemdelingen die we zijn, voor elkaar, voor onszelf. En laten we afspreken dat we die kille maandag voortaan overslaan in ons weekprogramma…

Laurens ten Kate

Op 12 mei verschijnt Laurens ten Kate’s essay De vreemde vrijheid (Uitgeverij Sjibbolet Amsterdam, 56 p.). Een verkorte versie sprak hij op 11 mei uit als bijzonder hoogleraar Vrijzinnige religiositeit en Humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek Utrecht. Deze leerstoel is mogelijk gemaakt door de Stichting Stimulering Vrijzinnig Gedachtegoed (SSVG).

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie