Opkomst en ondergang van de wil

0
1

Willen, het boek van Hannah Arendt (1906-1975) dat recent in het Nederlands is vertaald, dient zich vanaf de eerste pagina’s aan als een ‘geschiedenis van de wil’. Bij de conclusie aangekomen, moet de auteur echter toegeven dat het toch wat ‘stoutmoedig’ was om haar studie onder die vlag aan te kondigen. Wat is daar dan zo stoutmoedig aan?

Vooreerst het feit dat het, zoals ze schrijft, slechts een ‘schetsmatige en fragmentarische presentatie’ betreft. Niet alle theorieën die in de loop van het westerse denken over de wil zijn geproduceerd passeren de revue, verre van dat. Niet alleen beperkt Arendt zich tot de filosofische traditie, ook binnen die traditie laat ze heel wat denkers onvermeld. In het beste geval geeft ze wat uitvoeriger aan waarom ze dat doet. Johann Gottlieb Fichte, Friedrich von Schelling en Georg Wilhelm Friedrich Hegel laten zich bepaald niet onbetuigd wat reflectie en theorievorming over de wil betreft, en in de pagina’s die Arendt wijdt aan de redenen waarom ze in haar ‘geschiedenis’ over het Duitse idealisme heen springt, legt ze toch aardig de kern van hun inbreng uit, maar de behandeling is bewust stiefmoederlijk.

Dat brengt ons meteen bij de tweede reden waarom haar studie ‘stoutmoedig’ te noemen is. Ze presenteert niet alleen een ‘geschiedenis van de wil’, ze schrijft ook hoe de wil geschiedenis heeft gemaakt of, juister, hoe het de afwezigheid of de verdringing van de wil is die de geschiedenis domineert. Het ‘stoute’ van haar studie – en haar hele oeuvre – bestaat vooral ook in het engagement dat eruit spreekt. Haar studie is een oproep om de historische aanzetten tot theorievorming over de wil eindelijk eens ten volle ter harte te nemen. Op die basis moet immers aan een nieuwe, moderne wilstheorie worden gewerkt. En die is urgent. Dat onze cultuur zich fundeert op vrijheid en vrije wil vinden we vanzelfsprekend, maar het gekke is, aldus Arendt, dat we eigenlijk geen theorie hebben die deze vrije wil werkelijk als basaal denkt.

We hebben de wil zelden als een apart geestelijk vermogen gedacht, maar haast altijd als een onderdeel van het denken – ‘denken’ dat we dan als synoniem lieten (en laten) gelden voor ons geestelijke vermogen tout court. De ‘geest’ (Mind) is Arendts algemene term voor het rationele vermogen van de mens, en zij merkt op dat die tot op vandaag zowat als een synoniem geldt voor het theoretische denken. Dit terwijl Aristoteles al een eigen en volwaardige plaats gaf aan het praktischedenken. Wiskundige problemen kun je – en moet je – theoretisch denken, maar inzake ethiek en politiek kun je – en mag je – niet onverkort datzelfde soort denken hanteren. De praktijk heeft haar eigen rede en logica, zij beslaat in de woorden van Arendt het domein van het ‘handelen’. Aan dat ‘handelen’ de basale plaats geven die het verdient, daarvan de theoretische grondslagen uittekenen en de implicaties voor de politiek doordenken: ziehier kernachtig uitgedrukt de centrale inzet van Arendts gehele denken. En daarin moet er plaats gemaakt worden voor een theorie van de wil als zelfstandig geestelijk vermogen.

Niet dat Arendt zich tegen het theoretische denken keert. Integendeel zelfs. Het boek Willen is het tweede in een reeks waarvan het eerste deel niet toevallig Denkenheet (een paar jaar geleden ook in het Nederlands verschenen, bij dezelfde uitgever en met dezelfde vertalers). Maar ‘denken’ is niet het mentale vermogen dat ook het domein van de menselijke aangelegenheden helemaal kan verhelderen. Dat vereist een eigen aanpak, en de geest heeft daarvoor een eigen mentaal vermogen: de wil.

Het is merkwaardig dat Aristoteles, die toch een eigen rationaliteit van het handelen onderkent, in de menselijke geest geen zelfstandige instantie daarvoor – geen ‘wil’ – ontwaart, aldus Arendt. En hij is niet de enige. Arendts studie begint met de constatering dat de antieken voor zoiets als ‘de wil’ zelfs helemaal geen concept hadden. Zij liepen hoog op met vrijheid, maar ‘vrije wil’ was bij hen geen aparte notie. Bij Aristoteles vind je de notie van proairesis, in het Latijn vertaald alsliberum arbitrium. Het betreft de keuzevrijheid inzake de middelen die men kan aanwenden om een doel te bereiken. Maar die wordt nog niet opgevat als een autonome instantie van waaruit het handelen mentaal wordt gestuurd. Het is geen term voor een ‘wil’ die vrij staat tegenover de dwang van de waarheid en daarom ook de mogelijkheid in zich draagt tot iets nieuws – of zoals Immanuel Kant het eeuwen later zal noemen: ‘de macht om spontaan een serie van opeenvolgende dingen en toestanden te beginnen’.

Lees de volledige recensie op De Reactor.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER