Natuurwetenschappen

Over Kant, het heelal en God

Het ontstaan van het heelal en de goede God - Immanuel KantWanneer Robbert Dijkgraaf zijn tv-colleges geeft over het allerkleinste en allergrootste, kan hij rekenen op een miljoenenpubliek. Het onvoorstelbare wordt met computeranimaties voorgesteld en zo voorstelbaar. Iets ter grootte van een pingpongbal explodeerde, wat een kosmos voortbracht waarin miljarden en miljarden sterren, zwarte gaten en Melkwegstelsels een eeuwige rondedans uitvoeren. We zien het gebeuren. De huidige kennis over het ontstaan van het Al lijkt altijd bestaan te hebben, omdat die het onvoorstelbare voorstelbaar maakt – ze schept haar eigen referentiekader. We denken voortaan in termen van de nieuwe theorie. Iets anders kunnen we ons niet meer voorstellen. De wetenschap dat ons melkwegstelsel er één van vele is dateert echter van de jaren ’20. De theorie van de oerknal werd bedacht in de jaren ’30. Tot aan de zestiende eeuw dacht men dat de aarde het middelpunt van het heelal is. Pas tegen het einde van de zeventiende eeuw toonde Newton aan dat de fysica van de hemel dezelfde was als die op aarde. Ook wetenschap heeft haar geschiedenis.

Zo nu en dan blijkt dat de nieuwste inzichten een soort voorafschaduwing in het verleden hebben. Eratosthenes wist al in de tweede eeuw voor Christus dat de aarde rond was en maakte een plausibele schatting over haar omtrek. Een wel heel frappant voorbeeld van een geleerde die ideeën naar voren bracht die pas veel later gemeengoed werden, is Immanuel Kant.

Kant was een kind van de Verlichting. Zijn lijfspreuk was ‘sapere aude’, durf te denken. Wereldberoemd is hij geworden door zijn drie Kritieken, die een cesuur vormen in de geschiedenis van de filosofie. In de eerste, de Kritiek van de zuivere rede, voerde hij zijn ‘copernicaanse wending’ uit, zoals hij het zelf noemde. Copernicus opperde als een van de eersten dat de aarde rond de zon draait. Kant durfde het aan om te stellen dat de bron van de volstrekte zekerheid die de natuurkunde biedt, niet buiten het menselijke subject ligt, maar in dat subject. Wij zijn het zelf die de objectiviteit stichten. De aarde draait rond de zon, goed, maar heel het kenbare Al draait rond het menselijke subject. Een op het eerste gezicht erg boude stelling, die Kant evenwel met kracht van argumenten staande hield. En in zijn hand werd ze de hamer waarmee hij de traditionele metafysica sloopte. ‘God’ bleek een richtinggevende idee. Kant durfde steeds consequent door te redeneren, ook al kwam hij daarbij tot inzichten die volkomen tegen-intuïtief zijn. De toon die hij daarbij soms hanteert is ‘wie het beter weet, mag het zeggen’.

In de jaren vijftig van de 18e eeuw wist de filosoof nog niet dat hij verliefd was op de metafysica. Het is waarschijnlijk dat hij toen verliefd was op de vrouw van graaf Von Keyserling, Caroline, die er niet alleen heel leuk uitzag, maar ook nog hoogbegaafd was. Kant was de huisleraar van de twee zonen van het echtpaar. Je kunt het slechter treffen. Aan Caroline danken we een portret van de jonge Immanuel Kant. Misschien waren de gevoelens wederzijds.

Kant moet er veel vrije tijd gehad hebben, want hij schreef er een boek over het ontstaan van het heelal. Kants eerste intellectuele belangstelling ging uit naar natuurkunde, en dat was te danken aan Martin Knutzen, hoogleraar filosofie, wis- en natuurkunde en astronomie in Koningsbergen, bij wie Kant gestudeerd had. Kants redenering was eigenlijk heel simpel. Newton had aannemelijk gemaakt dat het de zwaartekracht is die de planeten rond de zon doet draaien. De centrifugale kracht zorgt ervoor dat de planeten niet op de zon storten. Maar Newton was een zeer gelovig man, die bleef aannemen dat God de kosmos had geschapen. Het heelal zoals men dat toen kende, moest er in die vorm vanaf de schepping geweest zijn. Waarom zóu je, moet de eindtwintiger Kant gedacht hebben. Hij bedacht dat het heel goed mogelijk was dat het heelal was ontstaan, en dat dezelfde krachten die het nu in beweging hielden, daarbij een rol hadden gespeeld. Stel dat er aan het begin van de tijden alleen losse deeltjes waren – stof, gas – die kriskras door de ruimte raasden, en stel verder dat de zwaartekracht en de centrifugale kracht er altijd geweest zijn – dan kun je je voorstellen dat er zwaardere en lichtere deeltjes waren, die zich ten opzichte van elkaar op dezelfde manier gingen gedragen als nu onze zon en de planeten doen. Het zwaardere lichaam trekt de overige aan, maar omdat die vaart hebben en al een zekere massa, wordt hun rechte valbeweging afgebogen en komen ze in een baan rond het zwaardere lichaam terecht. Als dat maar lang genoeg doorgaat, wordt er een zonnestelsel geboren. Maar Kant ging verder. Ook ons zonnestelsel beweegt. Dat is alleen te verklaren als het op dezelfde manier beweegt als de planeten rond de zon. Dus moet er een of ander heel zwaar gravitatiepunt zijn, waaromheen ook andere zonnestelsels draaien – en zo kwam hij uit op iets waarvan we nu weten dat het een ‘zwart gat’ is, Sagittarius A, dat zich in het centrum van ons melkwegstelsel bevindt. En Kant ging nog verder. Ons Melkwegstel is gigantisch. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat er maar één is. Misschien waren er onder de ‘vaste sterren’ ook Melkwegstelsels. Die vaste sterren zijn niet echt ‘vast’, maar bewegen uitzonderlijk langzaam; als de eerste aanname juist, bewegen Melkwegstelsels ook. En zo, consequent doorredenerend, kwam Kant uit op de gedachte dat er één, uitzonderlijk zwaar punt moest zijn waaromheen de hele overige kosmos draait. Een gedachte die dicht bij die van de oerknal komt. Aan de ene kant van de tijdsbalk is het heelal dus eindig, maar aan de andere kant? Het heelal is ontstaan, maar dat proces gaat door. Aan de ene kant veroudert het en gaat het ten onder; het eerst natuurlijk het oudste gedeelte, maar er blijft steeds nieuwe structuur in de chaos ontstaan, en daarom schuiven aan de andere kant van de tijdsbalk de grenzen van de kosmos steeds op – het heelal is oneindig omdat het uitdijt. Kant formuleerde deze inzichten rond 1750. Ze lijken verbluffend veel op de modernste.

Kant zette zijn theorie uiteen in Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels. In dat boek komen nog veel meer zaken aan de orde. Zo bespreekt hij natuurlijk ook de rol van de Allerhoogste bij het ontstaan van de kosmos, de geestelijke hoedanigheden van bewoners van andere planeten; verklaart hij het ontstaan van de ringen van Saturnus, en de herkomst van het zodiakale licht. Het moest in 1755 verschijnen, maar Kants uitgever ging failliet. Pas aan het einde van de jaren ’90 van de 18e eeuw werd het herdrukt. Maar toen was ook iemand anders al op een vergelijkbaar idee gekomen over het ontstaan van hemellichamen en hun bewegingen: Pierre-Simon Laplace. Sindsdien heet de theorie de Kant-Laplace theorie.

Immanuel Kant staat te boek als een slecht stilist. De uiterst revolutionaire denkbeelden in zijn Kritieken zijn geformuleerd in de taal van de scholastiek. De stijl van de Allgemeine Naturgeschichte is echter veel losser en vloeiender. Kant lijkt er vrijheid te voelen. Niet de vrijheid ‘om je plicht te doen’, maar de vrijheid die je voelt als je je gedachten de vrije loop laat.

Willem Visser


Willem Visser is de vertaler en bezorger van Kant: Het ontstaan van het heelal en de goede God dat deze week verscheen bij Uitgeverij Sjibbolet. Deze uitgave is ook verkrijgbaar via de website van Uitgeverij Klement.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie