Reflecties op de technologische samenleving vanuit de ethiek (1)

0
1

Mens en techniek staan centraal in de Maand van de Filosofie 2014. Het is alleen de vraag of de grens tussen die twee nog wel zo scherp getrokken kan worden; de mens wordt steeds meer machine en machines worden steeds menselijker. Filoblog besteedt deze maand daarom extra aandacht aan dit thema met vandaag het eerste deel van de serie Geen maken aan door Koo van der Wal, emeritus-hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam en daarna aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De serie bestaat uit drie artikelen die we de komende dagen zullen publiceren.

Techniek als universeel menselijk gegeven
Onze samenleving staat te boek als de technologische. Dat betekent meer dan alleen maar dat de techniek in onze cultuur een vooraanstaande rol speelt. Wanneer wij techniek in algemene zin omschrijven als het scheppen en inzetten van middelen om daarmee bepaalde doelen te bereiken, dan doortrekt zij ook in vroegere perioden van de mensheidsgeschiedenis reeds het bestaan – bij de jacht, het bewerken of irrigeren van het land, het bereiden van het voedsel, het aanleggen van vuur, het maken van kleding, bij het bevorderen van de vruchtbaarheid (bijvoorbeeld door het snijden van beeldjes) of het afweren van ziekten en ander onheil, of bij het afdwingen van regen (door het uitvoeren van rituele dansen of het uitspreken van bezwerende formules). Techniek, kortom, als het doelrationeel omgaan met de werkelijkheid is een universeel menselijk gegeven en niet zelden heeft zij als definiërend kenmerk van het mens-zijn gediend.[1]

Sinds omstreeks 1800 echter heeft de techniek, die tot dan toe een ‘ambachtelijk’ en niet zeer dynamisch karakter had, een ingrijpend veranderingsproces doorgemaakt, een proces waarbij zij, zoals reeds vele malen is beschreven,[2] enerzijds in toenemende mate verstrengeld is geraakt met de natuurwetenschap en anderzijds in deze verwetenschappelijkte vorm, als technologie, steeds nauwere betrekkingen met de economische sector van het bestaan is aangegaan. Door deze gang van zaken zijn resultaten geboekt die buiten het bereik lagen van de vroegere techniek, al had die, althans voor een deel, wel degelijk dezelfde resultaten op het oog. Het zou daarom eenvoudig absurd zijn de positieve kanten van die ontwikkeling te ontkennen, waartoe soms de neiging lijkt te bestaan. Men hoeft zich slechts de regelmatig terugkerende hongersnoden veroorzaakt door langdurige droogte of zwermen ongedierte voor te stellen, of de even regelmatig terugkerende overstromingsrampen, of de grote pest-, pokken-, cholera- en andere epidemieën, de hoge kindersterfte, gruwelijke ziekten als lepra, de ontstellende armoede en ontbering die door de grote meerderheid van de mensheid tot vandaag toe geleden is, de dagelijks terugkerende slopende arbeid in de strijd om het bestaan, om de ongeloofwaardigheid van een radicale kritiek op de techniek in te zien. Zo’n opvatting is slechts in een relatief veilige situatie, als salon-kritiek derhalve, mogelijk. Het is niet onbegrijpelijk dat iemand als Bacon hoge verwachtingen heeft gekoesterd van de vooruitgang van wetenschap en techniek voor de bevordering van het menselijk welzijn en het is evenmin onbegrijpelijk dat de zogeheten onderontwikkelde landen dikwijls met graagte gebruikmaken van de verworvenheden van de technologie.

Problematische kanten van de technologische leefwijze
Daar staat tegenover dat in steeds breder kring het besef is ontwaakt dat datzelfde proces, waarin technologie en industriële productiewijze in steeds sterkere mate de bepalende factoren in onze cultuur geworden zijn, diep problematische kanten heeft. Niet alleen heeft de medische technologie de grote epidemische ziekten, de kindersterfte en vele andere oorzaken van een voortijdige dood (in het kraambed bijv.) sterk teruggedrongen, zij heeft ons tegelijk voor grote nieuwe problemen geplaatst, zoals de bevolkingsexplosie, een verstoorde bevolkingsopbouw, het vraagstuk van het omgaan met het leven van zwaar gehandicapt geborenen of onomkeerbaar comateuzen, van de selectie (en dus afwijzing) van mensen voor levensreddende therapieën, voor de vraag of embryo’s ‘gemaakt’ mogen worden uitsluitend voor gebruik ten bate van anderen (Parkinson-patiënten bijv.) enz. Er is een gigantische oorlogsindustrie ontstaan – vele technologische vindingen, zoals die van de kernsplitsing, hebben allereerst voor oorlogsdoeleinden toepassing gevonden – die de absurde situatie van een gijzeling van volkeren over en weer mogelijk gemaakt heeft. Onze industriële leefwijze met zijn steeds groeiende hoeveelheden afval, zijn broeikaseffect, aantasting van de ozonlaag, vervuiling van het grond- en oppervlaktewater betekent een onomkeerbaar lijkende en steeds omvangrijker aanslag op onze natuurlijke omgeving.

Maar niet in de laatste plaats werkt de aanhoudende introductie van steeds dieper aanzettende en verder uitstralende nieuwe technologieen in sociaal en psychisch opzicht steeds ingrijpender op de mens zelf terug. De ‘natuurlijke’ leefgemeenschappen zijn gaandeweg steeds meer vervangen door een veelheid van doelverbanden, waar mensen elkaar voor een bepaalde tijd als spelers van bepaalde sociale rollen ontmoeten. Menselijke relaties worden daarmee uitwendiger, vluchtiger, partiëler en onpersoonlijker, een ontwikkeling die inderdaad als een verschuiving van Gemeinschaft naar Gesellschaft kan worden verstaan, deze termen in ideaaltypische zin opgevat. Het paradigma voor menselijke verhoudingen in een dergelijke samenleving is het contract. En inderdaad begrijpen we de tussenmenselijke betrekkingen, de arts-patiënt-relatie bijvoorbeeld, steeds meer in contractuele termen. David Gauthier heeft het contract dan ook de ideologie van de moderne maatschappij genoemd.[3] Het drukt zich uit in ons politieke denken, waar de structuren als gerechtvaardigd gelden wanneer zij in termen van een (zij het ook fictieve) overeenkomst kunnen worden geïnterpreteerd. En niet in de laatste plaats is het contract het sleutelbegrip geworden van het idioom waarin we onze morele opvattingen verwoorden, in termen van rechten (en mensenrechten) namelijk. Kortom, de mens zelf, zijn relatie tot zijns gelijken, zijn normenpatroon, en om vooruit te grijpen: zijn zelfopvatting, zijn wijze van zich in de werkelijkheid ophouden en er zich toe verhouden, zijn bewustzijnsstructuur, ondergaan een ingrijpende verandering.

Een contractuele opvatting van het menselijk samenleven is tegelijk een ‘constructivistische’: zij houdt sociale relaties voor construeerbaar, maakbaar. En inderdaad is de sociale realiteit de laatste eeuw in steeds toenemende mate technisch in regie genomen. Daaraan dankt een reeks van beleids- en organisatiewetenschappen als de bestuurs- en bedrijfskunde zijn ontstaan, waar het leidend gezichtspunt dat van het ‘managen’, het ‘runnen’ van organisaties is, of dit nu op het gebied van het bedrijfsleven, de gezondheidszorg, het welzijnswerk, het onderwijs, de kunst, niet te vergeten de politiek, of wat dan ook is, tot zelfs aan de religie toe.

Onze cultuur, het kwam al eerder ter sprake, wordt fundamenteel door een activistische grondhouding gekenmerkt. Dat hoeft niet per se het technologisch activisme te betekenen. Activistisch is onze westerse cultuur al in een zeer vroege fase geweest in de zin dat zij sterke nadruk heeft gelegd op de activiteitskant van het menselijk bestaan, veel sterker dan op de passief-ontvankelijke kant ervan – vaak moet men zelfs zeggen: ten koste ervan. Het actieve wordt dan met het ideale, echte, werkelijke vereenzelvigd, het passieve met het inferieure, het onwerkelijke, zelfs het kwade. Tot in de taal spiegelt zich dat georiënteerd zijn aan het actieve: van iemand die in goede omstandigheden verkeert zeggen reeds de Grieken dat hij eu prattei, en wij nog steeds dat hij het goed  maakt, is doing weIl.

In de westerse wijsbegeerte, althans de hoofdstroom ervan, heeft de werkelijkheid act-karakter, van Aristoteles, via Thomas, Duns Scotus, Cusanus, Leibniz, Kant, Fichte, Hegel, tot Bergson, Teilhard en anderen toe. Als gezegd: dat hoeft niet in technische zin verstaan te worden en is dat vaak ook niet. Maar wel heeft het technisch denken nu van dit activistisch grondmotief bezit genomen en er haar speciale invulling aan gegeven. Dit technisch activisme vat iedere situatie waarin de dingen niet naar wens lopen op als een technisch probleem, waar iets aan gedaan kan worden door het inzetten van de juiste middelen. Alles wordt met andere woorden procesmatig beschouwd en kan adequaat worden geanalyseerd als een probleem waarvoor een technische oplossing bestaat.

Dat betekent dat, wanneer in een situatie door technisch ingrijpen ontsporingen zijn ontstaan, deze ook met technische middelen gecorrigeerd kunnen worden. Zo zien we dan ook allerwegen dat gebreken van het systeem op hetzelfde niveau met aan het systeem eigen middelen worden bestreden: het oorlogsgevaar met een bewapeningswedloop die afschrikkend moet werken, het dreigend tekort aan energie door het zoeken naar nieuwe energiebronnen, het niet bereiken van medische doelen door de inzet van nog meer geavanceerde medische technologie, milieuvervuiling door milieutechnologie.

Het is mogelijk dat een dergelijke strategie in de tegenwoordige situatie onvermijdbaar is. Thomas van Aquino maakt een interessant onderscheid tussen twee vormen van ‘perplex’-zijn: perplexus simpliciter en perplexus secundum quid, dat wil zeggen eenvoudigweg in verlegenheid zijn of ten gevolge van een bepaald iets.[4] De vraag die Thomas interesseert is, of je moreel zuiver kunt leven dan wel er regelmatig niet aan ontkomt vuile handen te maken. Anders gezegd, wanneer je in een moeilijk parket zit waaruit je je niet zonder kleerscheuren kunt redden, kan dat je dan, buiten alle goede bedoelingen en een moreel correcte handelwijze om, toch overkomen (simpliciter) of heb je dat op de één of ander wijze aan jezelf te wijten doordat je al een eerdere misstap gemaakt hebt (secundum quid; bijvoorbeeld dat je als je eenmaal gelogen hebt, nu wel moet doorgaan met liegen om de zaak consistent en gesloten te houden).

Thomas is ervan overtuigd dat verlegenheid altijd op de één of andere wijze een gevolg van iets anders, dus een kwestie van eigen schuld is. Dat is zeer de vraag. Maar op ons probleem toegepast zou het heel goed kunnen zijn dat, nu we eenmaal in grote stijl de technologische weg opgegaan zijn, we tenminste ook technisch moeten blijven corrigeren.[5] De vraag is echter of de remedie voor de moderne samenlevingsproblemen alleen, of misschien zelfs in hoofdzaak uit die hoek te verwachten is. Zou het met andere woorden kunnen zijn dat de sterke stijging van psychische en zelfs somatische storingen in onze maatschappij, dat sociale verschijnselen als het terrorisme, het vandalisme, het druggebruik e.d., dat het werkloosheids- en voor alles het milieuprobleem binnen het technologisch raamwerk überhaupt niet adequaat benaderd kunnen worden, zodat er hooguit sprake is van een Kurieren am Symptom, in het ongunstiger geval door het toedienen van meer van hetzelfde van een steeds dieper wegzakken in het moeras?

Als die vraag bevestigend beantwoord moet worden, zou dat betekenen dat het juiste omgaan met de techniek, het centrale probleem van onze tijd, zelf geen aangelegenheid meer zou zijn van technisch handelen. De vraag van Karl Mannheim met andere woorden: “Who plans the planner?”, hoe juist de intentie achter de vraag ook mag zijn, is dan principieel fout gesteld en kan, in dat vocabulaire behandeld, ook alleen antwoorden opleveren die in dezelfde kring blijven ronddraaien en dus geen echte antwoorden zijn.

Vrijdag 3 april 2014 deel 2: Dingen die niet maakbaar zijn?


[1] Zie bijv. Harry Shapiro, ‘Het begin van de mensheid’, in: id. (red.), Culturele antropologie, Utrecht/Antwerpen 1965, p. I2v: “Al deze kenmerken [rechtopgaande gang, hoog ontwikkelde hersenmassa, lachen, spreken enz.] zijn juist…, maar het fundamentele gegeven dat de meeste van die eigenschappen mogelijk maakt en waarop ze alle steunen, is toch wel de zin voor techniek.” Dezelfde stelling, dat de mens wezenlijk technicus is, bij J. Ortega y Gasset, Betrachtungen über die Technik, Stuttgart 1949, passim, bijv. p. 57:  “dass der Mensch in der Wurzel seines Seins sich vor jeder andern Lage in der des Technikers befindet.”
[2] Zie bijv. Peter L. Berger, Brigitte Berger, Hansfried Kellner, The Homeless Mind. Modernization and Consciousness, New York 1973·
[3] David Gauthier, ‘The Social Contract as Ideology’, in: Philosophy and Public Affairs, 6/2 (1977), p. 130-164.
[4] Thomas Aquinas, Summa Theologiae. I,II,19,6 ad 3; II,II,62,2 obj. 2; III,64,6 ad 3. Zie Alan Donagan, The Theory of Morality, Chicago 1977, p. 144v.
[5] Zie als voorbeeld dat voor vele kan staan: ‘als er niet snel maatregelen genomen worden’, zal de opwarming van het klimaat in deze eeuw boven de 2 graden C uitkomen, met mogelijk of zelfs waarschijnlijk desastreuze gevolgen.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER