Rémi Brague: Zijn we nog Romeinen?

0
1
Europa, de Romeinse weg

Het ontbreekt momenteel ten enen male aan een visie op Europa die uit stijgt boven de dichtomie van het primaat van een tamelijk autistisch marktdenken en een steeds machtiger wordende Europese bureaucratie enerzijds en een zichzelf overschreeuwend nationalisme anderzijds. De kampen van de neurotisch espresso drinkende frequent flyers en de kampeerders met tatoeages, beiden met hun eigen kampioenen, staan recht tegenover elkaar. Europa lijkt voor velen een leeg begrip, dat door voor- en tegenstanders wordt gebruikt als een aanbeveling of een aanklacht, maar niet als een concept met een duidelijk omlijnde inhoud. Het zou daarom nuttig kunnen zijn iets langer stil te staan bij de eenvoudige, socratische vraag wat Europa nu eigenlijk is.

De Franse filosoof Rémi Brague, emeritus hoogleraar Griekse, Romeinse en Arabische filosofie te Parijs, doet precies dat in zijn recent in het Nederlands verschenen boek Europa, de Romeinse weg (oorspronkelijk in 1992 verschenen als Europe, la voie romaine). Brague begon zijn wetenschappelijke carrière met een proefschrift over Plato’s dialoog Meno, maar ontwikkelde zich in de loop van zijn filosofische Werdegang eveneens tot deskundige op het gebied van het middeleeuwse denken, speciaal op het gebied de Islamitische en de joodse filosofie. Al deze expertises hebben hun plaats in Brague’s lange essay over de Europese identiteit.

Brague schreef Europe, la voie romaine in eerste instantie voor een Frans publiek, dat zich weliswaar identificeert met het Europese project, maar alleen als dat in het verlengde van de Franse belangen en de Franse identiteit ligt. Aangezien Brague niet alleen een Europese, maar ook een katholieke auteur is in een land dat zich wat het openbare leven betreft als laïcistisch (vrij van godsdienstige bemoeienis) begrijpt, had hij zich geen geringe taak gesteld. Brague stelt de vraag wat Europa is in het kader van de Europese geschiedenis. De vraag stelt ons namelijk voor een probleem: Europa is geen geografische eenheid. Evenmin is Europa in de bredere zin waarin het ook het Orthodoxe christendom en zelfs Islamitische culturen omvat (bijvoorbeeld in voormalig Joegoslavië) zondermeer een godsdienstige eenheid. Brague beperkt zijn omschrijving van Europa tot het katholieke Europa en de protestantse culturen die daar een afsplitsing van zijn. Wat geeft nu een eenheid aan dit katholiek-christelijke Europa?

Brague’s these luidt dat Europa wezenlijk Romeins is. Nu lijkt dat op het eerste gezicht een zeer conservatieve stelling. Is dit niet wat iedere zenuwachtige classicus de filistijnse belastingbetaler voorhoudt? Erger nog, berust het beeld van Europa als Romeins niet op een beeld van de Romein als een soort tijdgenoot, zoals dat wellicht in de mode was onder victoriaanse schoolmeesters en Franse auteurs van nationalistische geschiedenissen – “remember boys that Sophocles was almost our contemporary”? Een dergelijke visie op oude geschiedenis is toch weerlegd door classici als E.R. Dodds en Paul Veyne en filosofen als Michel Foucault? Brague poneert in dan ook in geen geval een continuïteit zonder meer tussen de inhoud van de Romeinse cultuur en de inhoud van de Europese cultuur nu. Er is namelijk geen rechtstreekse, ononderbroken lijn tussen de Europese cultuur en de Romeinse cultuur op inhoudelijk gebied. Zelfs het veelgeroemde Romeinse recht is als basis voor het huidige privaatrecht niet zozeer een antieke als wel een middeleeuwse schepping. Brague verwijst hier impliciet naar de rechtshistorische these van bijvoorbeeld de Duitse rechtsgeleerde Paul Kosschaker dat het 11e eeuwse rechtsgeleerden aan de universiteit van Bologna, de zogenoemde glossatoren, waren die uit de onoverzichtelijke verzameling bronnen van het Romeins recht bruikbare teksten afleidden en daarmee de basis legden voor het recht van het Europese continent. Wat als de unieke en onomstreden bijdrage van de Romeinen aan Europa wordt gezien is dus ondenkbaar zonder bemiddeling door het middeleeuwse denken.

Iets dergelijks geldt mutatis mutandis des te meer voor andere Romeinse vormen van cultuur.

De meeste Romeinse cultuuruitingen waren verwerkingen van Griekse originelen. Dat is ook de crux. De Romaniteit die volgens Brague Europeaniteit is, is een kwestie van een Romeinse vorm die een vreemde, Griekse, inhoud aanneemt . Europa is volgens Brague een Romeinse entiteit, maar het Romeinse, of beter gezegd het Latijnse, is niet zozeer een zaak van een Romeinse inhoud maar van een Romeinse vorm. Welke is deze Romeinse vorm?

De Romeinse cultuur kenmerkt zich in Brague’s ogen door een openheid voor andere culturen. De Romeinen waren gewoon zich te meten aan andere culturen. De maat voor het Romeinse was het Griekse. Brague citeert een beroemde regel van de Romeinse dichter Horatius die luidt dat de overwonnen Grieken hun boerse overwinnaars overwonnen: de Romeinen helleniseerden hun cultuur. De Romeinse cultuur is daarmee een excentrische en een secundaire cultuur. Ze is excentrisch omdat ze haar centrum buiten (ex-) zichzelf zoekt. De Romeinen zagen niet zichzelf, maar de Grieken, als de maat van hun denken en scheppen. Vandaar dat Romeinse schrijvers hun Griekse voorgangers navolgden en Romeinse filosofen met name onderwijzers van de verschillende varianten van het Griekse denken waren. Zo paste Seneca de stoïcijnse filosofie toe op het leven van de stedelijke Romein en vormde Lucretius het atomisme van Epicurus, de gedachte dat de werkelijkheid uiteindelijk bestaat uit kleinste deeltjes die op elkaar inwerken in een verder lege ruimte, om tot zowel literair als didactisch zeer bijzondere poëzie. Hierin ligt ook de secundariteit van de Romeinse cultuur. Deze komt na de Griekse cultuur, ze is de tweede cultuur en de navolgende cultuur.

Het christendom, dat de opvolger is van het Romeinse heidendom (en dat sinds het einde van de vierde eeuw ook de Romeinse staatsgodsdienst was) neemt volgens Brague deze typisch Romeinse vormkarakteristieken van excentriciteit en secundariteit over. De christenen geloven immers in de God van de joden. Het christendom is een voortzetting van het jodendom. Het nieuwe verbond komt niet in plaats van het oude verbond, maar zet dit voort. De katholieke filosoof Brague vat het kernachtig samen: “de joden zijn onze Grieken”.

Zowel de hellenistische als de joodse erfenis zijn in hun respectievelijke Romeinse vormen de pijlers van de Europese cultuur. Anders gezegd, Rome was een aquaduct voor de culturen van Athene en Jeruzalem.

Als de Europeaniteit bestaat in een aldus gedefinieerde Romaniteit, hoe verhoudt dit Romeinse Europa zich dan tot de culturen om het Latijnse centrum om zich heen? Kunnen het (Grieks-orthodoxe) voormalig Byzantijnse rijk en de Islamitische beschaving niet met evenveel recht aanspraak maken op een Romeinse erfenis? Beiden zijn immers mede gevormd door het Griekse denken én beide beriepen zich op de erfenis van het oude Romeinse rijk – zowel de Byzantijnse keizer, de Russische tsaar (Moskou als het derde Rome na de val van Constantinopel in 1453) als de sultan van het Ottomaanse rijk maakten aanspraak op de titel van Romeins keizer.

Volgens Brague delen de Byzantijnse cultuur en de Islam geen van beide werkelijk in de Romeinse cultuur. Het Oost-Romeinse rijk was volgens Brague feitelijk Grieks. Wat belangrijker is, Byzantium zag zich niet als excentrisch en secundair. Voor de Byzantijnen was het hellenisme hun volstrekt eigen erfenis. Het Byzantijnse denken was het Griekse denken zondermeer. Dat leidde weliswaar tot prachtige dingen, zoals een langdurige bloei van het neo-platonisme die op zijn beurt ook het Westerse neo-platonisme van de renaissance beïnvloedde, maar het betekende een breuk met het Latijns-Romeinse denken. Deze breuk zette zich door in het Grote Schisma tussen de katholieke kerk en de Oosterse kerken in 1054 waarin de verschillen tussen de katholieke kerk en de Grieks-Orthodoxe kerk leidden tot een breuk tussen de paus en de patriarch van Constantinopel. Naar Brague’s idee sloot de Oosterse kerk zich met het Schisma definitief af voor de Romaniteit in eigenlijke zin. Islamitische culturen doen het zeker niet beter. De Islam is nog meer dan de Byzantijnse beschaving een zelfgenoegzame wereld. In de ogen van de moslims is de Islam de superieure godsdienst en is het Arabisch, immers de taal van de Koran, de volmaakte taal. Veeleer dan zich op andere culturen te richten en deze als maat voor de eigen cultuur nemen, pasten de Arabieren alle invloeden aan. De Griekse filosofie waar de Islam door tussenkomst van christelijke en Joodse vertalers kennis van kon nemen werd ofwel geïslamiseerd ofwel verboden. Met zijn bevindingen over de minieme rol van de Islam in het doorgeven van de Griekse filosofie liep Brague in 1992 overigens vooruit op het geruchtmakende werk van de Franse historicus Sylvain Gouguenheim die in zijn Aristote sur Mont Saint-Michel (2008) meer omstandig zou ingaan tegen de algemeen geaccepteerde stelling dat West-Europa de beschikbaarheid van Griekse filosofische teksten aan de Islam te danken zou hebben. Volgens Gouguenheim is die vooronderstelling onjuist. Brague lijkt het wezenlijk met hem eens te zijn, behalve dan op het kleine maar cruciale punt dat Brague de rol van Arabische vertalers niet geheel wegcijfert. Gouguenheims boek riep een storm van protest op onder Franse academici en journalisten. In 2011 wijdde het Maison Descartes in Amsterdam er nog een symposium aan. Brague’s veel minder polemisch opgezette boek riep niet zulke reacties op, terwijl de stelling die Brague verdedigt eigenlijk heftiger is dan Gouguenheims gewraakte eurocentrisme.

Want hoewel Brague op het eerste gezicht een vriendelijke, bijna multi-culturele stelling lijkt te verdedigen, stelt hij ook dat de openheid voor andere culturen een unieke eigenschap van Europa is. Een dergelijke excentrische, secundaire cultuur treffen we nergens anders aan, ook niet in culturen als de Japanse en de Koreaanse die weliswaar door China beïnvloed zijn maar dit niet in de mate erkennen waarin Europa zich erkentelijk heeft getoond ten opzichte van Athene en Jeruzalem.

In hoeverre is Brague’s stelling houdbaar? Als we zijn visie op het Byzantijnse rijk nader beschouwen valt op dat hij enerzijds de Byzantijnen (terecht) nadrukkelijk als Romeinen beschouwt, maar vervolgens met een lexicale truc – de Byzantijnen zijn wel Romeinen maar geen Latijnen – de Byzantijnen de Romaniteit ontzegt. De lectuur van oud-historici als Peter Brown leert toch iets anders. Peter Brown liet in de jaren ’70 van de vorige eeuw in zijn inmiddels klassieke werk The World of Late Antiquity al zien dat de Byzantijnen zichzelf als Romeinen bleven zien en daar de consequentie van het voortzetten van hellenistische tradities aan verbonden. Zo werd in Constantinopel tot de inname van de stad door de legers van de Turkse sultan Mehmet II door de Byzantijnse Romeinen de neo-platoonse filosofie beoefend – volgens Brague een uiting van Griekse cultuur, maar is er eigenlijk een helderder voorbeeld te bedenken van wat Brague Romaniteit noemt dan dit? Het voert dan ook te ver om de cultuur van Constantinopel als een monolitisch zelfgenoegzaam Grieks bolwerk te zien, want het was toch juist Romeins om Griekse wijsheid tot zich te nemen?

Wellicht is het eigenlijke doel van Brague’s uitsluiting van de Byzantijnen niet zozeer het Oost-Romeinse rijk zelf, als wel de wereld van de Oosterse kerken, met andere woorden Rusland en Oost-Europa. Die landen zijn namelijk nooit katholiek geweest en dus zijn ze evenmin Romeins. De vraag is echter of het verband dat Brague voor noodzakelijk schijnt te houden, namelijk de relatie tussen de open houding ten aanzien van de Griekse cultuur enerzijds en katholiciteit anderzijds, vol te houden is. Is Brague gegeven zijn eigen these niet gehouden ten minste de mogelijkheid van een Romeins (dus: Europees) Oost-Europa open te houden?

Brague’s Islam-kritiek is iets overtuigender, maar niet onproblematisch.

Brague stelt dat de Islam het Romeinse denken niet als een zelfstandige maat voor zijn eigen denken en handelen blijft zien. Dat is echter wel wat Europa volgens Brague doet als het trouw is aan zijn eigen Romaniteit. Daarom kan de Islam niet Europees zijn. Hier blijft de vraag open wat dan precies de culturele status is van de Islamitische inwoners van Europa. Zijn de Bosniërs Europeanen van een speciaal soort? Kan Turkije Europees worden? Op dit soort praktische vragen gaat Brague niet in.

Nog problematischer lijkt mij Brague’s opvatting van het christendom als een voortzetting van het jodendom. Deze voorstelling van zaken is namelijk wel erg rooskleurig. Het mag dan een ideaal zijn van de huidige katholieke kerk om de speciale band met de joodse moederreligie voor het voetlicht te brengen, de gedachte dat er wezenlijk vrede is tussen het christendom en het jodendom strookt noch met bepaalde theologische inzichten noch met de historische praktijk. Hoewel het ideologische anti-semitisme vooral een negentiende-eeuws atheïstisch monstrum was, zijn er in de geschiedenis van de katholieke kerk en de protestantse kerken (bijvoorbeeld Luthers virulente jodenhaat) anti-joodse sentimenten aan te wijzen die zacht gezegd niet zonder gevolgen zijn gebleven. Brague doet de anti-joodse aanspraken van het christendom dus te makkelijk af als bijzaak.

Alles bij elkaar levert Brague niettemin een belangwekkende bijdrage aan het debat omtrent de Europese identiteit, die uitnodigt tot een hernieuwde kennismaking met de bronnen van het Europese denken en vooral met de vorm die dit denken heeft – al zijn vorm en inhoud wellicht niet zo helder te scheiden als Brague het in zijn helder geschreven, erudiete en boeiende boek voorstelt.

Sjoerd van Hoorn, filosoof en journalist

Rémi Brague Europa, de Romeinse weg, vertaald uit het Frans door J.M.M. de Valk, Klement/Pelckmans, Zoetermeer, 2013, ISBN 978 90 8687 114 8, € 23,50

Deze tekst is met toestemming overgenomen uit Splijtstof, het blad van de Faculteit der filosofie van de Radboud Universiteit. Sjoerd van Hoorn studeerde filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij was docent wetenschapsfilosofie en sociale filosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en is nu werkzaam als freelance journalist en criticus.

 

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER