Levenskunst

Ritournelles van de levenskunst

Paul van TongerenVrijdag 26 oktober werd het nieuwe boek van Paul van Tongeren Leven is een kunst gepresenteerd bij boekhandel Roelants te Nijmegen. Jacques De Visscher hield tijdens de presentatie een toespraak die we hieronder publiceren. We danken hem hartelijk voor de toestemming tot publiceren.

Eerder publiceerden we een video-interview met Paul van Tongeren. Bekijk de video hier.

Dames & heren,

Sarah, mijn kleindochter die zondag twee-en-een half wordt en volgende week de grote stap zet van de Tuin der peuters naar het Tranendal van de eerste leerschool, maakt mij soms attent op morele situaties.

Ik had haar – nu al enkele weken geleden – in de loop van een dinsdagmiddag van de kribbe afgehaald. Eens bij haar thuis, een flat op de derde verdieping in Sint-Joost-ten-Node (een deelgemeente van ‘Brussel’), trekt ze haar jasje uit dat ze keurig aan de kapstok hangt, trekt ze ook haar laarsjes uit die ze even keurig opbergt. Vervolgens wijst ze op mijn schoenen en kijkt ze toe dat ik mijn pantoffels aantrek, want dat heeft zij ook al gedaan.

Ze wil een puzzel maken, waarvan ze de stukken op de salontafel etaleert. Ze komt naast mij op de bank zitten. Het puzzelspel is voor haar te gemakkelijk.

Ze staat plots rechtop op de bank en begint te springen, alsof de bank een trampoline is.

Ik zeg haar dat ze moet opletten, dat ze dat niet mag doen, dat ze zal vallen.

Ze negeert mijn vermaning en springt lustig verder tot ze met een voet/een been van de bank schiet en valt.

Ik kan haar nog net opvangen, zodat ze niet tegen de salontafel botst en zich troosteloos veel pijn doet. Een grootvader verdraagt dat niet.

Ik zeg: “Pas toch op!” Daar trekt zij zich niets van aan, kruipt weer op de bank en zet het springen verder.

“Neen, Sarah, pas op, je zal weer vallen!”

Ze doet verder.

“Nee, Sarah, je bent ongehoorzaam.” Ik kijk boos en zeg: “Je moet flink zijn.”

Ze houdt op, legt zich op de bank, beschaamd met haar gezicht naar de kussens. Kort daarop draait ze zich om en kijkt me toch aan, recht in de ogen, enkele seconden slechts. Ze trotseert mijn strenge blik.

De schaamte voorbij, knijpt ze haar ogen halfdicht en zegt: “Pas op, niet vallen, grootvader niet flink!”

Ze gaat rechtop zitten en zegt opnieuw, nu met het gebiedende vingertje: “Pas op, niet vallen, grootvader niet flink!”

Ze loopt weg, kruipt op haar fiets, onderbreekt nu en dan haar rondjes door de verschillende kamers en herhaalt steeds heel gebiedend: “Pas op, niet vallen, grootvader niet flink! Pas op, niet vallen, grootvader niet flink!”

Als ik haar nu probeer te corrigeren en haar zeg dat ik wèl flink ben, helpt dat niet. “Grootvader niet flink!”

Ik ben echter wel sterk als ze mij, iets later aan tafel, een fles wijn ziet ontkurken. Dat ziet ze vaak, een grootvader mag immers in deze sombere tijden niet met een drankprobleem verweesd achterblijven. Sarah ziet dan ook geen zwakheid, nee, integendeel, ze ziet kracht.

Ze bewondert mij en zegt: “Grootvader is heel sterk!”

 *   *   *   *   *   *

Wie over ethiek nadenkt en zich vragen stelt over het eigen doen en laten, botst naar alle waarschijnlijkheid ook op de vraag van Socrates ‘hoe te leven?’ Dit probleem is ook het uitgangspunt van het jongste boek van Paul van Tongeren, Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst. Beantwoordt Sarah op haar manier en op haar niveau nu niet ook deze vraag? Ja, ik denk het. Ik denk trouwens ook dat Van Tongerens boek in meerdere opzichten op haar lijf is geschreven en dit zonder het verhaal van Sarah te kennen. Dat hoeft niemand te verwonderen, want boeken schrijven we altijd op iemands lijf. Liefst niet in de eerste plaats op het eigen lijf – dat zou geen goed boek zijn. Uitsluitend op het eigen lijf geschreven boeken – ego-boeken, dus – zijn meestal saaie en zeurderige boeken, vol zelfbeklag.

Paul van Tongeren heeft ongetwijfeld een boek geschreven dat niet alleen op het lijf van sommige mensen is geschreven, maar dat vooral is gegrift op het lijf van de Westerse cultuur, een cultuur die sterk doordrongen is van de deugdethiek en de morele levenskunst van Aristoteles tot Martha Nussbaum, waarvan hij ook de historische relativiteit bespreekt. Bijgevolg ontbreekt de christelijke dimensie van de deugdethiek niet. Dat verwacht ik ook van iemand als Paul van Tongeren, die niet in de val trapt van het tijdperk van de ontkenning, van een antichristelijk ressentiment.

Sarah beantwoordt de socratische vraag van het boek. Alleen, beantwoordt Sarah de vraag niet met een geleerd of stichtend vertoog, wel met haar manier van leven, met haar reacties, spelletjes, met haar steeds herhaalde zinnetje: “Pas op, niet vallen, grootvader niet flink!” alsof het om een refrein zou gaan, une ritournelle, zeggen de Fransen. Dit is volgens het woordenboek: “courte phrase musicale répétée souvent et qui précède ou suit un chant” – een korte muzikale zin die, vaak herhaald, een gezang/lied voorafgaat of op een gezang volgt.

Van Tongeren is een beoefenaar van de hermeneutische ethiek. Van zulke oefeningen houd ik ook, omdat ze zoveel kunnen verhelderen. Daarom mijn oefening met het verhaal van Sarah, waarbij ik me door Van Tongerens deugdethiek laat inspireren. Opvallend is dat Sarah al enige habitas heeft verworven: prudentia als het gaat om zorg voor haar kleren, of fortitudo in het vermanen van anderen – ze weet inderdaad wat volhouden is. Zij kent een moment van inkeer: na de val – o, die al maar weerkerende val in ethische situaties – en het strenge optreden keert zij zich op de bank, heel even, in zichzelf terug, echter niet om aanvaarding en toegeeflijkheid te tonen. Neen, ze is zich bewust van een mogelijke Umwertung aller Werte. Zoals de eerste mensen keert ze zich tegen het gezag, treedt ze in opstand.

Ze is inderdaad niet meer onschuldig en beseft dat ze zich tegen iemand kàn afzetten, dat ze een bedreigende toestand kan bezweren door een retorische figuur, haar ritournelle, een repetitieve strategie om haar oordeel te bevestigen. In het woord, ritournelle hoor ik trouwens ook ‘rite’, ritueel. Aangezien er geen rituelen zijn zonder onderliggende mythische of stichtende verhalen, kan ik vooronderstellen dat het lied eveneens de expressie van een levenskunst is, een vaardigheid om het leven, de alledaagse gang van zaken in huis tussen de dingen en met de anderen, te beheersen. Daarom ook maakt ze met haar fiets rondjes door de flat, een exercitie in ewige Wiederkehr.

Wie kleine kinderen observeert – filosofen doen dit veel te weinig – ziet vlug hoe kinderen van twee à drie jaar allerlei strategieën kunnen ontvouwen om zich te handhaven: ze verleiden en stoten af, ze bezetten domeinen en gebieden. Een van Sarah’s vele (fragmentarische) antwoorden op de vraag van Socrates geeft zij in een ritournelle, een bezwerende magische formule, haast een incantatie om zich in de Wille zur Macht te bekwamen, zwarte magie dus, om het dreigende verval in de slavenmoraal te bezweren.

In het gedrag van kinderen zien we in een notendop wat in de ethiek het geval is. Hier zien we de ethiek in staat van wording. Het is dan ook niet toevallig dat Van Tongeren het eveneens via de Genesis-verhalen over de oorsprong van moraal en ethiek heeft. Bij Sarah, die haar onschuld al is kwijt geraakt, zie ik de actualisering van de dia-bolische of ver-brekende transgressie, van het willen overwinnen van een gebod – waarzonder geen ethiek of moraal ontstaat. Ja, geen ethiek of moraal, zonder de ervaring van het verlies van de onschuld. Zonder de erkenning van kwetsbaarheid en van verweer, hoe subtiel geconfigureerd in ritournelles of in een incantatio, is er geen antwoord op de vraag van Socrates. Het is ook het antwoord van Albert Camus: Je me révolte, donc je suis.

In Sarah’s verhaal zie ik bovendien nog een antwoord op een nog andere – prangende – vraag, een vraag die ik, weliswaar in een verschillend perspectief, aan Emmanuel Levinas ontleen: zijn we soms ‘niet de dupe van de moraal’? (si l’on n’est pas le dupe de la morale). Wordt Sarah – en zij niet alleen, wij allen – niet de dupe van de moraal, of beter geformuleerd, de dupe van de moralismen? Hier komen we in de opdringerige sfeer terecht waarin vogels van diverse pluimage, aanhangers van allerlei ‘ismen’ – ecologisten, feministen, humanisten, marxisten, nudisten of pyrrhonisten – ons te pas en te onpas trachten duidelijk te maken wat we moeten doen en laten. Ze zijn ‘wijsneuzerig’, schrijft Van Tongeren. In de ogen van Sarah ben ik zo’n moralist. Ik weet immers zo goed wat er aan de hand is, wat goed voor haar is, waaraan zij zich moet onderwerpen, hoe ze, flink geworden, mens en maatschappij beter kan maken – terwijl ik als moralist mij niet realiseer dat mijn nadrukkelijkheid en opdringerigheid de beste voedingsbodem vormen voor een ritournelle om zich bij ‘passende gelegenheden en omstandigheden’ aan de moraal van het gebod en het verbod te onttrekken. Dat is vragen om liederlijkheid. Sarah wil nu al niet zomaar ‘de dupe van de moraal’ worden, de moraal van het vingertje: die moraal vergalt haar leven, waarvan ze een kunst maakt door die moraal in een ritournelle te parodiëren.

Nu, het leven is een kunst die zeker niet in de eerste plaats uit een deontische gebodsmoraal voortspruit, dat zou al te morbide zijn. Die kunst bestaat vooral in een teleologische ethiek – de toelichting van dat onderscheid ontbreekt in Van Tongerens boek niet – die er in bestaat dat we doelen nastreven waarvan we de verwerkelijking feestelijk vieren. Ondanks alles weet Sarah dit ook: als ik een fles wijn ontkurk, zegt ze bewonderend: “Grootvader is heel sterk”.

*   *   *   *   *

Het nieuwste boek van mijn collega, ook wat geestesgenoot, maar vooral vriend, Paul van Tongeren, is natuurlijk grondiger dan mijn frivool verhaal over Sarah. De auteur, zo ken ik hem, heeft een degelijk en helder boek geschreven, een boek over de werkelijkheid dat echt leven een kunstbeoefening is, een praktijk die we ook in ritournelles kunnen vieren. De auteur weet uitstekend hoe geleerdheid uiteindelijk in wijsheid dient op te gaan.

Is hiermee niet duidelijk dat we boeken zoals Leven is een kunst nodig hebben? Ik twijfel daar niet aan. Zulke boeken mogen nooit ver weg liggen om ons er aan te herinneren dat goed leven werkelijk een kunst is en dat we daar iets kunnen aan doen. Op de tafel naast ons bed, in de tas die we altijd bij ons hebben of zelfs in de jaszak – dààr hoort zo’n boek aanwezig te zijn als een dringende uitnodiging om vurig te blijven denken aan wat in onze alledaagsheid ter zake is.

Jacques De Visscher


Jacques De Visscher (1943) was tot voor kort bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij vertaalde werk van Immanuel Kant, Emmanuel Levinas, Hannah Arendt en Paul Ricoeur. Recent verscheen van zijn hand bij Uitgeverij Klement Het groteske. Verschijningsvormen en betekenissen van menselijke excentriciteit.

Deel:
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie