Maatschappij

Stenen getuigen: ‘Naar buiten, lucht en lachen’!

Erik Borgman & Liesbeth HoevenEen paar mooie nazomerdagen in oktober. Herfstvakantie. Winkelende mensen strijken met een broodje in de hand neer op een bankje in het park. Kinderen spelen tikkertje op het plein naast hun gesloten basisschool. Een buurtbewoner wandelt met zijn hond langs een grasveld. Reizigers verzamelen zich voor leuke uitstapjes op de perrons van het centraal station. Een stel jongeren slaan in alle vroegte een bierflesje kapot bij het plaveisel in hun buurt. Het leven speelt zich op deze vrije, zonnige dagen grotendeels buiten af, op straat.

De geschiedenis verdicht zich op plaatsen, die we in alle vrijheid kunnen aandoen, om er vervolgens weer te vertrekken. Bovenstaand straatbeeld is illustratief. Van de verhalen van degenen die deze plaatsen ooit bevolkten, kunnen we beleefd, met respect of met een mengeling van afschuw en ontroering kennis nemen – om ze vervolgens te laten voor wat ze zijn en over te gaan tot de orde van de dag. Waar bovengenoemde vijf plaatsen in de stad ons aan herinneren? Een achttienjarig joods meisje dat een dagboek bijhield in het concentratiekamp en schreef aan haar vriend met wie zij de liefde voor de natuur deelde, een spelend jongetje wiens leven niet langer duurde dan de vijf oorlogsjaren, zesenzeventig jonge militairen die ver van huis sneuvelden op Nederlands grondgebied, een groot aantal joodse stadsgenoten die noodgedwongen bagage verzamelden voor de busreis naar hun laatste bestemming, een verzetsstrijdster die drie ondergedoken geallieerde piloten achter haar huis vermoord zag worden en haar strijd tegen de bezetter bekocht met eigen leven. Indrukwekkend? De Amerikaanse cultuurwetenschapster Astrid Erll suggereert dat de herinnering aan het verleden een vormeloze massa dreigt te worden van intrigerende, maar uiteindelijk betekenisloze elementen, zonder vitale band met het heden.

Dat we tot de alledaagse orde terug kunnen keren, is natuurlijk goed. Het zou vreemd zijn om het vrijblijvend betreden van herinneringsplaatsen te betreuren. Datgene waar de slachtoffers destijds naar verlangden, hebben wij in ons bezit. De huidige bezoekers van het Helga Deen park in de Willem II- straat in Tilburg lossen Helga’s onvervulde verlangen in om eens weer in vrijheid te verkeren. Waar het leven van René Klessens al spelend op straat eindigde, gaat dat van de kinderen op de speelplaats rondom zijn gedachtenismonument op het Sint-Willibrordplein verder. Wie langs het Britse ereveld loopt aan de Gilzerbaan, koestert een levendige herinnering aan de dag van gisteren, doorgebracht met familie of vrienden. De reizigers die zich in haast naar het centraal station begeven maken de onvoltooide reis van onze joodse stadsgenoten af: zij vertrekken én komen weer thuis. Jongeren drinken in de Coba Pulskenslaan het biertje waar de geallieerde piloten na de bevrijding graag de heldendaad van hun verzetsstrijdster mee beklonken hadden.

Waar het leven van de oorlogsslachtoffers vroegtijdig beëindigd werd, leven wij voort. Maar in de terloopsheid waarmee we hun herinneringsplaatsen betreden, gaat aan ons voorbij hoe zij tientallen jaren eerder met grote inspanning probeerden hun leven in abnormale omstandigheden zo normaal mogelijk vorm te geven. We worden geconfronteerd met plaatsen die niet alleen ontdaan zijn van de wanordelijke sporen die hun concrete leven achterliet – pen en papier, een fiets, een uniform, een koffer of tas, een aanrecht vol vaatwas –, maar ook van de mensen die we op deze plaatsen in gedachtenis houden. Hoe is het dan nog mogelijk een verbinding aan te gaan met de geschiedenis van hen waarmee deze plaatsen verbonden zijn, als elk concreet spoor van hen ontbreekt? Hoe kunnen wij het gebroken bestaan van deze mensen, hun noodgedwongen vertrek uit het alledaagse stadse leven in uitzonderlijke omstandigheden, ervaren als een appèl hen in onze gedachtenis niet te verlaten?

De Duitse cultuurwetenschapster Aleida Assmann spreekt over herinneringen die in een cultuur latent aanwezig zijn: een ‘cultureel archief’ dat op onverwachte momenten tot spreken kan komen en opnieuw betekenis krijgt. Wat door een samenleving vergeten of verdrongen wordt, verzamelt zich en blijft bewaard in materiële sporen. In de bestrating het patroon van een Davidsster. Een betonnen lessenaar. Tientallen uniforme witte stenen. Een metershoge klok. Een zwerfkei in het plaveisel. Al deze gedenktekens, verborgen in het stadslandschap, concretiseren de onmogelijke, maar onontkoombare opdracht de herinnering aan de oorlog ‘te bewonen’.

Dit is wat architect Daniel Libeskind de essentie noemt van steden en haar herinneringsplaatsen. Iedere plaats weerspiegelt volgens Libeskind niet alleen het actuele en zichtbare, maar ook de vaak vergeten en verborgen gebeurtenissen en geschiedenissen die er evenzeer deel van uitmaken – zoals de oorlogsmonumenten in Tilburg de dood en de afwezigheid present stellen van onze stadgenoten en van miljoenen andere mensen, en de plaats eromheen hun verborgen leven herdenkt.

Hoe we de herinnering aan hen levend houden? Anne Frank, Nederlands icoon van vrijheid en verdraagzaamheid, schreef op haar schuilplaats in haar dagboeknotitie van 29 oktober 1943:

‘Naar buiten, lucht en lachen’, schreeuwt het in me; ik antwoord niet eens meer, ga op een divan liggen en slaap om de tijd, de stilte, de verschrikkelijke angst ook, te verkorten, want te doden zijn ze niet – je  Anne.

Het onvervulde verlangen van haar en miljoenen anderen ligt voor het oprapen: op straat. Stenen getuigen. Laten we erover ‘struikelen’ met hoofd en hart. Alsof de wereld in een nieuwe vorm tevoorschijn komt, in aanloop op bevrijdingsdag.

Deze blog is geschreven naar aanleiding van het nieuwe boek van Erik Borgman en Liesbeth Hoeven, Sporen van afwezigheid. Gedenken in stemmen, stenen en stilte dat deze maand verscheen bij Uitgeverij Klement.

Erik Borgman (1957) is hoogleraar theologie aan de Universiteit van Tilburg. Hij onderzoekt het grensgebied van hedendaagse seculiere cultuur en religie. Zijn meest recente publicaties zijn Wortelen in vaste grond: Een cultuurtheologisch essay (2009) en Overlopen naar de barbaren: Het politieke belang van religie en christendom (2009).

Liesbeth Hoeven (1982) werkt aan de Universiteit van Tilburg aan een promotie over de grondslagen van een herinneringscultuur ‘na Auschwitz’ en naar de betekenis van concrete herinneringsplaatsen. Zij publiceert op het snijvlak van kunst, religie en publiek domein.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie