Maatschappij

Strafrecht en de jacht op een gedeelde identiteit

“Nederland moet veiliger.” Deze mantra ligt menig bewindspersoon al jaren in de mond bestorven. Het bereik van de mantra is gigantisch: echo’s ervan weergalmen in alle hoeken van onze samenleving. Het wekt daarom geen verbazing dat de slogan bezit heeft genomen van het verkiezingsprogramma van zowat iedere partij, van rechts naar links en door het midden.

Wie beweert dat Nederland veiliger moet, gaat er vanuit dat het in dit land nu onveilig is. De onveiligheid wordt geacht haar oorzaak te vinden in de criminaliteit. En de criminaliteit moet dan worden verondersteld te zijn toegenomen. Als onveiligheid wordt veroorzaakt door misdaad, en als misdaad toeneemt, dan ligt het voor de hand om het strafrecht te beschouwen als het instrument waarmee het land in zijn veilige luister moet worden hersteld.

Het strafrecht is van alle rechtsgebieden wel het meest emotionele. Daardoor heeft het weinig nut te riposteren met de mededeling dat het met de veiligheid ‘objectief bezien’ nooit beter gesteld is geweest dan nu, zelfs niet – of juist niet – als die mededeling wordt gelardeerd met verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek. Het gevoel dat we leven in een onveilige samenleving is een realiteit in zichzelf en laat zich niet verjagen met academisch getoonzette feitelijkheden.

Dit gevoel is nogal diffuus. Het is bij voortduring op zoek naar een focus waarin de bron van de bedreiging voor kortere of langere tijd kan worden gefixeerd. Criminaliteit vormt één van die fixatiepunten. Als de slogan dat Nederland veiliger moet inderdaad appelleert aan die diffuse emotie, hoe moeten we daarop dan reageren? Ik denk dat een antwoord moet bestaan in een pleidooi voor een nuchtere strafrechtspleging dat niet alleen is gegrond op rationele inzichten, maar dat ook de soms irrationele gevoelens weet te adresseren.

Er bestaat een verband tussen de rationele en de emotionele argumenten, en wel in de notie identiteit. Juist op dit punt heet onze samenleving in grote verwarring, ja ontreddering te verkeren. De discussies van de afgelopen jaren over diverse canons, de positie van Nederland in de Europese Unie, en immigratie kunnen goed in dit licht worden bekeken. Dat geldt ook voor onze wijze van omgaan met gedragingen die we afkeuren.

Wanneer die identiteit niet meer vanzelf spreekt, worden pogingen ondernomen om haar terug te vinden of opnieuw uit te vinden. Die pogingen zijn vaak noodgedwongen nogal kunstmatig en, belangrijker, zij volgen vaak een negatieve strategie. Zo wordt het strafrecht al snel gebruikt als middel waarmee de verschillende praktijken en levensstijlen waarmee wij ons niet wensen te identificeren, symbolisch worden gemarkeerd.

Op zichzelf is daar niets vreemds aan. Het strafrecht vormt het hardhandige sluitstuk van de wijze waarop een samenleving haar identiteit juridisch objectiveert. De krachtige bescherming van het strafrecht valt te beurt aan waarden die worden beschouwd als de meest wezenlijke, de meest vitale: het leven, de lichamelijke en seksuele integriteit, de eigendom, enzovoort. Zo kan het Wetboek van Strafrecht worden gelezen als een catalogus van rechtsbelangen die tezamen de achilleshiel van de identiteit van onze samenleving vormen.

Maar het gaat mis zodra het besef verdwijnt dat het strafrecht een zeer agressief en dus een alles behalve vanzelfsprekend ordeningsinstrument vormt. Aan het door daders veroorzaakte leed wordt nog een leed toegevoegd, niet als een helaas onvermijdelijk neveneffect van een verder goedbedoelde ingreep, maar als een als dusdanig beoogd leed dat in de vorm van een straf aan de veroordeelde wordt berokkend. Een samenleving die het zich veroorlooft er een strafrechtelijk systeem op na te houden, heeft dus voortdurend iets uit te leggen.

En precies dat besef lijkt weg te kwijnen. In onze nerveuze obsessie met de teloorgang van een gedeelde identiteit lijken we een kip zonder kop die ijvert voor een criminalisering van alles. Het tolerantieniveau voor onwelgevallige gedragingen is erg laag geworden. Dat de meest uiteenlopende gedragingen worden ervaren als een bedreiging van ons collectieve zelfbeeld, bewijst eigenlijk al dat dit zelfbeeld niet veel meer voorstelt, en alleen nog negatief gestalte kan krijgen, dat wil zeggen: in oppositie tot al hetgeen we afkeuren.

Het strafrecht zoekt te vergelden. Peter Hoefnagels heeft deze aan het strafrecht inherente motivatie ooit in een fraai beeld gevat: de straf bevredigt een ‘oergevoel in de wijsvinger’.  Aan de rationaliteit van dat oergevoel kan uiteraard sterk worden getwijfeld, maar ik denk dat zonder overdrijving kan worden gesteld dat het gevoel in de afgelopen decennia steeds sterker is geworden, en dat mede daardoor op het strafrecht steeds veeleisender verwachtingen zijn geprojecteerd.

Maar het strafrecht is er niet om onze tere huid te zalven. Juist nu onze samenleving dronken is van een ver doorgevoerd veiligheidsdenken en nu personen die strafrechtelijk over de schreef zijn gegaan worden afgeschilderd als vijanden waartegen de samenleving met alle middelen moet worden beschermd, is vooral behoefte aan een nuchtere strafrechtspleging.

Nuchter wil in ieder geval zeggen: zonder overspannen verwachtingen van het strafrecht. Van het strafrecht kunnen we niet verwachten dat het ons onze identiteit teruggeeft. Intussen hebben de eerder genoemde echo’s van de veiligheidsmantra zich geclusterd in een luide roep om steeds hardere bestraffing en de bestraffing van steeds meer gedragingen.

Alleen maar naar boven kijken in de verwachting dat de overheid allerlei afkeurenswaardige gedragingen bestrijdt, en ons zo ontlast van de noodzaak om zelf te interageren met mensen met wie we liever niets te maken hebben, is een recept voor gelatenheid en – naar Willem Schinkel – sociale hypochondrie. Het zou daarom gunstig zijn als het besef nieuw leven wordt ingeblazen dat van bovenaf niet veel moet worden verwacht en dat inschakeling van het strafrecht altijd een zwaktebod is. Het strafrecht komt pas in beeld wanneer met andere middelen niet het hoofd blijkt te kunnen worden geboden aan ernstige verstoringen van de samenlevingsorde.

Het is dan ook kwalijk dat juist bewindspersonen – naar ik aanneem tegen beter weten in – die verwachtingen enkel aanwakkeren. Dit kan er alleen maar toe leiden dat het strafrechtelijke systeem volkomen in de ban raakt van de beheersing van zijn eigen defecten en dat daarmee de neiging tot het voorstellen van ad hoc-‘oplossingen’ zich alleen maar sterker en vaker doet gevoelen.

Politici zouden er dus goed aan doen te benadrukken dat de positieve werkingen van het strafrecht uiterst beperkt zijn en dat we misschien wat dikhuidiger moeten worden. Het strafrecht kan niet in het geweer komen tegen alle doorkruisingen van zijn gedragsnormen; laat staan dat het kan opkomen tegen alle gedragingen die wij ‘lastig’ vinden. Het is al heel wat als het strafrecht ‘de druk van de ketel’ weet te halen en voorkomt dat de frustratie die het gevolg is van delicten, omslaat in ongecontroleerde eigenrichting.

Nuchter wil ook zeggen: zonder zicht te verliezen op hetgeen wij zijn verschuldigd aan personen die we als verdachte óf als slachtoffer blootstellen aan de werkingen van het strafrechtelijke apparaat. Mij lijkt, op zijn minst, dat we onder ogen moeten zien dat wij, door delinquenten te reduceren tot vijanden die niet ‘bij ons’ horen, vooral bezig zijn onze collectieve psychische last in rekening te brengen bij mensen die daartoe een gemakkelijk doelwit vormen.

Maar ook slachtoffers van strafbare feiten worden nogal eens oneigenlijk ‘gebruikt’, en gereduceerd tot ideaaltypen in wie we ons eigen bedreigde zelf kunnen herkennen. In zoverre worden ook zij geofferd op het altaar van onze collectieve obsessie met identiteit en veiligheid. Het getuigt dan ook van enige hypocrisie, te denken dat de behoeften van slachtoffers enkel kunnen worden gelenigd door een genadeloze vergelding.

Het mensbeeld van de delinquent als vijand, als onmens die geen aanspraak kan doen gelden op een ‘humane’ bejegening, lijkt mij symptomatisch voor een samenleving in een identiteitscrisis. Een samenleving die haar identiteit alleen nog kan ontlenen aan een vereenzelviging met ‘het slachtoffer’ en die iedere bereidheid tot inleving in de positie van ‘de dader’ lijkt te hebben verloren, beschikt over een wel erg fragiel zelfbeeld.

Dit betekent niet dat wij daders nu moeten gaan liefhebben. Het betekent ook niet dat daders niet soms zware straffen verdienen of dat slachtoffers niet een grotere betrokkenheid mag worden gegund in strafrechtelijke processen. Maar een samenleving wordt niet veiliger door alleen maar meer, sneller en harder te straffen. Ondanks de begane misstap, zijn daders burgers die na de straf weer op voet van gelijkheid met ons moeten samenleven.

Hoe willen wij ze hebben? Als ongeleide projectielen die enkel hebben geleerd zich te vereenzelvigen met het beeld van de uitgestoten vijand, of als individuen die er minstens toe zijn aangespoord zichzelf te beschouwen als mensen die nog een maatschappelijk productief bestaan hebben op te bouwen? Het strafrecht geeft uitdrukking aan de identiteit van een politieke gemeenschap. Maar het is ook een inherent gevaarlijk instituut en geen winkel waar de bestraffing van mensen het wisselgeld vormt van een transactie waarmee een samenleving probeert zich een zelfbeeld te verschaffen.

Dr. Ferry de Jong is universitair docent strafrecht aan de Universiteit Utrecht. Onlangs verscheen bij uitgeverij Sjibbolet een essay van zijn hand, getiteld Straf, schuld & vrijheid. Pijlers van ons strafrecht. Hij is aangesloten bij de Stichting MENS (www.mensenstrafrecht.nl). Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie