Filosofie

Tijdmachines door dr. René Munnik

De stelling van het boek: naarmate wij onze wereld rationeler inrichten, neemt diezelfde wereld een steeds mythischer gestalte aan. En het belangrijkste middel waarmee dat gebeurt: de productie van tijdmachines.

Tijdmachines  kennen we uit sciencefictionfilms: futuristische apparaten waarin iemand naar andere tijden reist. Want daar gaat het om bij tijdmachines; het zijn technische middelen om even tijdgenoot te worden van niet-tijdgenoten. Ze spreken tot de verbeelding, maar ze bestaan niet. De tijdmachines die wel bestaan zijn lang niet zo spectaculair. Sterker nog, ze vallen nauwelijks op, omdat ze deel uitmaken van het leven van alledag. Daarom zijn ze zo belangrijk; haal ze weg, en we herkennen ons dagelijkse leven niet meer. Met die gewone tijdmachines reizen wij niet naar het verleden, maar zeilen flarden uit het verleden naar ons toe.

De eerste tijdmachine was het alfabet. Kinderen die net leren lezen en schrijven beseffen nog dat dat technische vaardigheden zijn. Maar dat gaat snel voorbij. Even wennen, en we bewegen ons werktuiglijk in een wereld die vergeven is van geschriften… waarin rechtspraktijk, wetenschap, religie, een groot deel van de kunsten, onderwijs en vrijetijdsbesteding gegrondvest zijn op boeken. En wel in die mate dat ‘geletterdheid’ een vanzelfsprekend onderdeel werd van het westerse mensbeeld.

Schrijven en lezen zijn merkwaardige praktijken. Al schrijvend begraaf ik nu (nu, dat weet ik zeker) mijn gedachten in dode letters. En u, lezer, laat nu (ook nu, dat kan niet anders) weer iets levends uit die graven opstaan: wij zijn even tijdgenoten. Als het lukt verrijzen er bij u gedachten uit deze dode letters. En voor die opstanding maakt het geen snars uit of ik nog springlevend of al morsdood ben. Toch zijn we even tijdgenoten.

Toen het schrijven nog niet was uitgevonden, bestond het woord slechts als gesproken woord. In die tijd wist je enkel over het verleden via het ‘horen zeggen’…via verhalen dus. En werd een verhaal niet in herinnering gehouden door het herhaaldelijk te vertellen, te spelen of te zingen, dan verdween het spoorloos. Niets restte ervan, zelfs geen gemis. Alleen door mooi en sterk te worden verleidde een verhaal de mensen om het door te vertellen. Het mondelinge verslag van een knokpartij moest wel een sage over een godenstrijd worden om niet in vergetelheid te raken. In een schriftloze cultuur bestaat het verleden daarom uit sterke verhalen van het type ‘er was eens…’. Zo’n verleden is van een andere orde dan de tijd waar men zelf in leeft, en het maakt geen deel uit van de geschiedenis waar wij in leven. Odysseus blijft een fantoom uit een voortijd. Hij is geen historische figuur, en hoort niet thuis in een tijd waarin ons leven zich afspeelt. En de beslissende factor in de totstandkoming van ‘geschiedenis’ was de uitvinding van het alfabet… de tijdmachine waarmee de mythe overwonnen werd..

Het alfabet werd groot in Israël omstreeks de tiende eeuw voor Christus en iets later in Griekenland. In Israël was het de voorwaarde voor de schriftreligie en in Griekenland voor het geletterde filosofische denken. Dat zijn twee pijlers van de westerse beschaving. En zoals gezegd: deze beschaving verwierf door het schrift ‘geschiedenis’, in de gestalte van een dagelijks groeiend archief met sporen van voorbije dingen. Een overwegend verbale geschiedenis die door historici gelezen kan worden. Geschiedschrijving is een merkwaardige onderneming omdat ze bestaat uit een soort spoorzoeken naar dingen waarvan men bij voorbaat weet dat ze nergens meer te vinden zijn. Ze werd nog merkwaardiger toen ze zich opwerkte tot een (historisch-kritische) wetenschappelijke onderneming die objectieve kennis claimt over die nergens-vindbare dingen. En naarmate een historicus ‘objectieve’ waarheid claimt, ontpopt hij zich als een beter soort sjamaan die de doden laat antwoorden op de vragen van de levenden. Want geschriften praten misschien niet zo goed als mensen, maar wel een stuk gearticuleerder dan vooroudertotems. Kortom, een historicus is een tijdreiziger en het alfabet leverde tot voor kort zijn enige voertuig.

Met de media uit de negentiende eeuw kwam daar gaandeweg verandering in. Het alfabet verloor zijn monopolie als tijdmachine. Door de fotografie konden de dingen die er niet meer zijn zichzelf veel beter en veel overvloediger laten zien dan in de schilderkunst, de persoonsbeschrijving of het proces-verbaal. Vanaf die tijd laat het verleden zich bekijken als nooit tevoren. Gestorvenen konden naar levenden gaan wenken met gebaren op sterk water.

De fonografie uit de tweede helft van de negentiende eeuw leverde akoestische tijdmachines. De machine van Edison weekte stemmen los van monden, door die stemmen vast te leggen op metaal- en wasrollen. Deze uitvinding verleende aan stemmen een geschiedenis die ze nooit eerder bezeten hadden. Zangers konden voortaan levenden ontroeren, terwijl de mond en de keel waaruit hun stem had geklonken allang in het graf was vergaan. In de tijd voor de uitvinding van de fonograaf was het allemaal nog simpel: de levenden lieten zich horen en de doden zwegen. Hoorde je toen een stem, dan was er iemand in de buurt. Maar na die uitvinding kon een stem ook uit een luidspreker komen. Uit luidsprekers klinken de stemmen van levenden en doden. Hoort u nog het verschil? De sterfelijkheid verdween uit de hoorbaarheid.

Zoiets was met de fotografie nooit in die mate gelukt, want een foto blijft een gefixeerd moment, een stilleven of nature morte, en wijst er enkel zo al op dat het afgebeelde niet echt leeft. Maar het duurde niet lang of men kwam met geluidsfilms toch behoorlijk in de buurt. Hoe dan ook, het recente verleden dient zich anders aan dan het vroegere: niet meer overwegend verbaal, maar onmiskenbaar zintuiglijk. Het laat zichzelf zien en horen, en komt niet meer uit het archief, maar uit het Instituut voor Beeld en Geluid. Ongetwijfeld zal het verleden, beginnend bij dat uit de twintigste eeuw, zich voortaan een stuk levendiger aandienen. Je vraagt je af: hoe levendig op den duur? Het antwoord: erg levendig waarschijnlijk… een invasie van bewoners uit het dodenrijk, die een high-techweg kregen aangereikt naar het heden. En natuurlijk kun je ze de mond snoeren door de knop om te draaien. Maar je kunt ze niet met goed fatsoen de nek omdraaien, want hun eliminatie is net zo’n hoogverraad tegen de geschiedenis als een boekverbranding.

Al deze tijdmachines berusten op hetzelfde principe: iets vergankelijks wordt bestendig gemaakt. Dat vergankelijke kan een gesproken woord zijn, een stem, een gestalte of een voorval. En dat bestendige is een geschrift, een fonografische opname, een foto of een film. En daar kun je ver mee gaan. In de moleculaire biologie wordt het leven goeddeels begrepen als de verwerking van informatie die uiteindelijk is opgeslagen in DNA-moleculen. En in de cognitieve neurowetenschap wordt ook de geest in termen van algoritmische informatieverwerking voorgesteld. Indien dat klopt, dan worden ze ook vastlegbaar en archiveerbaar als geschriften, foto’s en films. Dan wordt het leven zelf transporteerbaar met tijdmachines. Net als de sauriërs uit Jurassic Park, die weer tot leven werden gebracht zoals een verloren gewaand motet van Bach tot klinken kan worden gebracht wanneer men de partituur ervan in een oud archief heeft teruggevonden.

Jurassic Park bestaat net zo min als de tijdmachines uit sciencefiction. Maar het principe ervan is geen fantasie. Van nog levende bedreigde dieren- en plantensoorten bezitten we genoeg genetisch materiaal. Dat wordt momenteel massaal opgeslagen in genenbanken en frozen zoos, met de kennelijke bedoeling om het uitsterven af te schaffen. De min of meer als apocalyptisch voorgestelde milieucrisis werkt zo een ongekende conserveringsdrang in de hand: deze genenbanken hebben de allure van de Ark van Noach. Want koste wat het kost moet voorkomen worden wat ooit de Mammoet en de Dodo overkwam: kwijtraken.

Al deze tijdmachines bestrijden het schandaal van de vergankelijkheid. Ze zijn pogingen om de verdwijntruc van de tijd ongedaan te maken door de tanden uit de kaken van de tijd te beitelen. En de eeuwenlange ontwikkeling tot op heden toe, suggereert dat dat verregaand lukt. Het alfabet transformeerde de tijd tot geschiedenis waaraan levenden en historische figuren samen deelhebben. Met behulp van de media ging het verleden vanaf de negentiende eeuw zichzelf levendiger melden in het heden. En met de moleculair biologische tijdmachine meldt het zich niet alleen levendig, maar levend. Net zoals de aarde kromp door vervoers- en communicatiemiddelen, zo wordt ook de chronologische afstand gaandeweg vernietigd. In de toekomst is een ver verleden heus zo ver niet meer. Misschien wel akelig dichtbij. De tijdlijn krimpt, en implodeert misschien ooit nog. Dan worden levenden en doden tijdgenoten in een wereld van fantomen, en wordt de alfabetische overwinning op de mythe weer ongedaan gemaakt.

René Munnik, Tijdmachines. Over de technische onderwerping van vergankelijkheid en duur, Zoetermeer, Klement, 2013.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 2 reacties

Geef een reactie