Voetbal aan het eind van de postmoderniteit

0
1

Kan iets dat als louter volksvermaak te boek staat ook  maar enige relatie hebben met hoge cultuur, laat staan  met filosofie? Filosoof Martin Gessmann bewijst dat  het kan. Hij schetst in zijn boek Filosofie van het voetbal niet alleen op boeiende  wijze de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van  het voetbal, maar biedt daarbij ook een verrassend,  filosofisch geïnspireerd verklaringsmodel voor die ontwikkeling. Hij slaagt er, omgekeerd, bovendien in om aan de hand van het fenomeen voetbal de  consistente ontwikkeling van de filosofie begrijpelijk  te maken. Hieronder een fragment uit het hoofdstuk ‘Waarom de Nederlanders het modernste voetbal spelen’.

Nu gaan we in op de vraag op welk moment in de geschiedenis het voetbal volgens het patroon van de systeemtheorie historisch moet worden gelokaliseerd. Loopt men de literatuur (en de eigen ervaring, althans tot zover die strekt) langs, dan blijken er minstens vier kandidaten te zijn. De eerste is de zogenoemde ‘Schalker draaitol’, die eind jaren twintig zorgde voor een bloeitijd van het ‘provincievoetbal’: ‘Trainer Hans ‘Bumbes’ Schmidt liet … de bal rondspelen om tegenstanders uit de vaak acht man sterke verdediging te lokken. Daarbij moesten steeds drie spelers van het eigen elftal, ongeacht hun positie, aanspeelbaar zijn, om de ploeggenoot die aan de bal was te motiveren deze zo snel mogelijk door te spelen.”[1]

De tweede kandidaat is ‘Hungary’s Revolutionary Golden Team’[2] uit de jaren vijftig, het team waarvan het Duitse elftal in 1954 tegen alle verwachting in won en daarmee wereldkampioen werd. Aan dat Hongaarse ‘Gouden Team’ (‘Aranycsapat’) wordt de uitvinding van het 4-2-4-systeem toegeschreven, waarin de klassieke rolverdeling werd opgeheven en er bijgevolg geen echte aanvallers en verdedigers meer waren, maar een voortdurende positiewisseling die zich ‘liet leiden door wat er al naar gelang de spelsituatie nodig was’.[3]

De derde kandidaat is dan het zogenoemde ‘totale voetbal’ dat geïnitieerd werd door het Nederlandse elftal rondom Johan Cruyff in de jaren zeventig. En de vierde kandidaat, ten slotte, is het systeemvoetbal zoals dat in de jaren nul van de eenentwintigste eeuw in elk geval in Europa gemeengoed werd dankzij verbeterde trainingsmethoden en het doorvoeren van tactische wijzigingen.

De vraag waar nu precies de cesuur ligt, zou men kunnen beantwoorden op grond van de tactische details en de maatschappelijke achtergronden van de nieuwe houding. Zo zou men voor wat betreft de jaren dertig kunnen wijzen op de invloed van de “Schotse korte-pass”[4], en zou tegelijk gewezen kunnen worden op de technische modernisering van de levenswereld in die tijd van nieuwe zakelijkheid, die zoals bekend op het gebied van kunst en cultuur langdurig van invloed is geweest. In het geval van het Hongaarse team uit de jaren vijftig zou men kunnen refereren aan de wijze waarop hier geprobeerd werd een zelfstandig, humaner alternatief voor het socialisme te ontwikkelen, een ‘real socialist voluntarism’ in tegenstelling tot het ‘untrue socialism’[5] van de toenmalige machtsblok van de Sovjetunie. Met het Nederlandse voetbal van de jaren zeventig zou men een maatschappelijke revolutie in verband kunnen brengen die de idealen van de beweging van 1968 probeerde te realiseren door een onaangepaste maar juist daardoor succesvolle speelwijze.

Afgezien van deze tactische en maatschappelijke achtergronden, die op zich al een grondige analyse waard zijn, lijkt mij in de onderhavige context van een oneigentijdse beschouwing van het voetbal een historisch motief van beslissend belang – beslissend in elk geval voor het feit dat dat spelconcept, ondanks de lange en respectabele rij voorgangers, pas in het afgelopen decennium echt tot bloei is gekomen. Dat historische motief zou in strikte analogie met de drijfveren van de voorafgaande twee ontwikkelingsfasen gezocht moeten worden in het feit dat er met voetbal opnieuw een reminiscentie aan lang vervlogen tijden is verbonden, tijden die men achteraf als gelukkig ziet en waarin men een specifieke vorm van levendigheid en vitaliteit aan het werk zag. Tegelijkertijd moet hier echter ook opnieuw het motief aan worden toegevoegd, dat die tijden als onherroepelijk verleden worden beleefd; en omdat de moderne tijd van zo’n dramatische insteek houdt, moet de intellectuele aantrekkingskracht van het voetbal te danken zijn aan de omstandigheid dat daarmee een principe nieuw leven wordt ingeblazen dat zich in maatschappelijk, politiek en historisch opzicht om fatale redenen te schande heeft gemaakt. Zo was met de reminiscentie aan een groots aristocratisch tijdperk van menselijke uitnemendheid in de negentiende eeuw altijd ook het inzicht en de bekentenis verbonden, dat deze geesteshouding had geleid tot de ondergang van het ‘ancien régime’; zo was met het existentiële begrip van het voetbal in de jaren zestig het besef verbonden dat het liberoprincipe in de geschiedenis ook, als Führer-principe opgevat, tot een catastrofe kon leiden. En om deze lijn voort te zetten, wil ik nu voorstellen en ervoor pleiten dat het hedendaagse systeemvoetbal voor ons tot een soortgelijke reminiscentie wordt die op esthetisch en sportief niveau herhaalt en genietbaar maakt wat in maatschappelijk, politiek en wereldhistorisch opzicht intussen het aureool van een onbeheersbare ambivalentie heeft gekregen. Om deze interpretatie als plausibel te ervaren, moeten de grote crises uit de jaren nul in zodanig perspectief worden bezien, dat het vooral en uiteindelijk (naast vele andere zaken) de aardverschuivingen waren van de financiële crisis in 2008 die hebben geleid tot een bewustzijn van ambivalentie in verband met systeemtheoretische overwegingen. Het zou in dit bestek te ver voeren om uiteen te zetten hoe het vertrouwen op riskante denkpatronen en het opereren met voortdurend zich vernieuwende netwerk- en structuurvormen uiteindelijk heeft geleid  tot een speculatiekapitalisme met de gevolgen waarvan we tot op de dag van vandaag nog adequaat moeten leren omgaan. Anderen hebben dat al uitvoerig gedaan.[6] De grondgedachte van een verbinding van beide sferen ligt echter daar, waar de voortgaande autopoietische vorming van steeds weer nieuwe systeemvariaties wordt gezien als principieel analoog aan een onoverzienbaar geworden ontwikkeling van de handel in derivaten en opties. We kunnen de analogie met het spel misschien het makkelijkst als volgt aanschouwelijk maken: zoals een nieuwe zet in het spel niet gewoon maar een nieuwe zet in een bestaand spelsysteem is, maar in staat moet zijn om tegelijkertijd een nieuwe speelruimte te openen (die dan weer verdere variatiemogelijkheden biedt), zo is ook het nieuwe financiële product (het derivaat) niet gewoon maar een nieuw product dat op een bestaande markt wordt geplaatst en aan een al bestaande beurs wordt verhandeld; integendeel, ook derivaten en opties zijn veeleer van dien aard, dat ze tegelijk een nieuwe markt en een nieuwe beurs doen ontstaan als de ‘speelruimte’ waarin ze verhandeld kunnen worden. Dit wordt, zoals inmiddels gebleken is, problematisch wanneer de nieuwe producten op de nieuwe markt niet meer voorzien in de bestaande behoeften van de ‘eerste’ markt, maar er alleen maar nieuwe markten in het leven worden geroepen die de oude (of oudere) markten exploiteren. Opties en derivaten zijn geen producten die men gewoon kan consumeren, maar producten die aansluiten op andere producten die men kan consumeren – daarom zijn het immers ‘derivaten’. Nog problematischer wordt het tenslotte, zoals we sinds kort weten, wanneer er niet alleen maar steeds weer nieuwe derivaten op de markt komen, maar deze derivaten op hun beurt slechts derivaten van derivaten zijn. Op een gegeven moment staan die derivaten in hun stamboom zover weg van hun oorsprong, het product waarvan ze ooit zijn afgeleid, dat hun ‘werkelijke’ waarde niet meer op een betrouwbare manier kan worden bepaald. Ze hebben zoveel afleidingsstappen doorlopen, dat een opbrengst wederom slechts uit ingewikkelde berekeningen kan worden afgeleid, die op hun beurt weer mathematische derivaten moeten zijn van oorspronkelijke rendements- en risicoberekeningen. Wat iets ‘werkelijk’ waard is, kan van het ene op het andere moment zo radicaal anders zijn en tegelijk met zodanige nuchterheid – als ware het de gewoonste zaak van de wereld –worden gepresenteerd, dat astronomische lijkende geldbedragen door het omboeken ervan vanuit virtuele financiële werelden naar de reële markten plotseling volledig en voor altijdteniet worden gedaan. En wie gelooft dat dergelijke systeemtheoretisch te begrijpen speculaties beperkt blijven tot de financiële sfeer, hem staat nog de ontnuchtering te wachten zoals die tot nu toe vooral in de hedendaagse literatuur (maar inmiddels ook van sociologische zijde) is gereflecteerd. Het gaat hier om inzichten die het algemene financiële handelen binnen onze specifieke levensomstandigheden herontdekken in de verbazingwekkende parallel van een ‘exploitatie’ van onze privé-betrekkingen.[7] Veel van wat we tot nu toe slechts op een diffuse manier hebben opgevat als bijkomstige schade van een voortschrijdende modernisering, laat zich vanuit dit perspectief bevredigend verklaren. Zelfs terreinen die op zichzelf zo onschuldig lijken dat ze cultuurkritisch niet hoeven te worden doorgelicht – of waarvoor tot dusver slechts de klassieke argumenten dienstig waren –, zoals bijvoorbeeld de spellingshervorming van het Duits, worden in zulke contexten in een theoretische handomdraai uitermate veelzeggend. Die spellingshervorming, waarvoor toch niemand van ons zich in het kader van de noodzakelijke modernisering had kunnen afsluiten, is uiteindelijk, naast al wat er verder nog te bekritiseren valt, klaarblijkelijk ook een poging geweest om de taal speculatief te kapitaliseren. Er werden namelijk niet maar alleen nieuwe regels uitgevaardigd die consequent en op constructivistische gronden voorbijgingen aan het hedendaagse spraakgebruik en de ingeburgerde schrijfwijze. Het is sindsdien ook duidelijk geworden dat de hervorming voortdurend nieuwe regels toelaat die niet meer de spelling zelf regelen, maar de (verbeterde) regels die de spelling moeten regelen ­– en dat niet alleen onder druk van haar tegenstanders. Als dat zo is, en ik denk dat het inderdaad zo is, dan hebben we hier evenzeer te maken met regeltechnische derivaten, die in omvang al zodanig zijn uitgedijd, dat het aantal pagina’s van het woordenboek intussen bijna is verdubbeld. Achteraf gezien, zo wil ik met dit voorbeeld als pars pro toto slechts aangeven, kunnen tal van zaken begrepen worden als een veelzeggend symptoom van onze tijd en tegelijk als de diepere reden ervoor dat de ontgoocheling erover lang zal nawerken.

Zo kom ik tot de conclusie dat het vooral door Nederlandse trainers gepropageerde systeemvoetbal zijn populariteit heden ten dage uiteindelijk te danken heeft aan het feit dat ook deze vorm van voetbal een oneigentijdse onderneming is die ons als toeschouwers uitnodigt tot een oneigentijdse beschouwing. In het systeemvoetbal kan men, kort gezegd, op een onschuldige manier nog eens traceren wat nu eigenlijk het beste was dat de postmoderniteit ons te bieden had. Weliswaar kunnen we Niklas Luhmann er niet nog eens bijhalen om aan hem een systeemtheoretisch ‘toch, gered’ te ontlokken – hij stierf zoals ik al zei in 1998.Toch zie ik het als een aanwijzing dat juist in de afgelopen vijf jaar veel boeken zijn verschenen die al in de titel iets met filosofie en voetbal van doen hebben, en dat in deze boeken in feite juist datgene wordt aangeprezen wat in de tijd al minstens een decennium voorbij lijkt te zijn. Het is schitterend om die grondprincipes, die ons in het leven niet meer overtuigen omdat het er aanvankelijk mee verbonden restrisico van het falen zich heeft ontpopt als het belangrijkste risico, in het voetbal in al hun levendigheid en rijkdom aan vormen nog eenmaal aan het werk te kunnen zien. Louis van Gaal, die aan het eind van het seizoen 2010/2011 bij FC Bayern vertrok, heeft ons in Duitsland (in elk geval tijdens zijn eerste seizoen in München) nog eenmaal ondergedompeld in een wereld waarin wij sinds de late jaren zeventig tot aan de late jaren negentig ons geluk zochten, en het steeds dan vonden wanneer het lukte om het leven zo sportief en ‘spielerisch’ mogelijk te nemen, en we altijd na een mislukt plan A een plan B in de zin van A in het kwadraat klaar hadden liggen, zodat we uiteindelijk op alle terreinen van het leven een Champions League moesten uitvinden om onze ambities nog van een enigszins passende horizon te kunnen voorzien. Het was een tijd waarin we geloofden in het oprichten van ik-BV’s waarvan we de aandelen konden uitgeven aan werkgeversverenigingen die elkaar overboden, een tijd waarin onze gezinnen, net als de moderne voetbalelftallen, een patchwork waren waarin een snelle wisseling van partner net als een snelle wisseling van trainer nog succes beloofde. Kortom: een tijd waarin we nog volop geloofden in het onwaarschijnlijke van een zelfenscenering, en waarin we alles wantrouwden dat zich niet liet oplossen door die voortdurende uitvinding van onszelf.

Martin Gessmann (1962) studeerde filosofie en romanistiek in Tübingen, Nantes en Washington D.C. Sinds 2010 is hij hoogleraar filosofie aan de universiteit van Heidelberg. Eerder verscheen van hem o.m. Montaigne und die Moderne (1997), Hegel (20042), Wittgenstein als Moralist (2009) en Was der Mensch wirklich braucht (2010).

[1] A. Hütig, “Flankengötter und Ballartisten. Fußball zwischen Kunst und Mythos”, in: Abseits denken. Fußball in Kultur, Philosophie und Wissenschaft, t.a.p., p. 67.
[2] R. Imre, “Hungary’s Revolutionary Golden Team”, in: Soccer and Philosophy. Beautiful Thoughts on the Beautiful Game, red. T. Richards, Chicago and La Salle 2010, p. 290-301.
[3] Idem, p. 293 (mijn vertaling). Vgl. daarover ook J. Wilson, Behind the Curtain. Travels in Eastern European Football, London 2006, p. 68-97.
[4] Hütig, “Flankengötter und Ballartisten. Fußball zwischen Kunst und Mythos”, in: Abseits denken. Fußball in Kultur, Philosophie und Wissenschaft, t.a.p.
[5] Imre, “Hungary’s Revolutionary Golden Team”, t.a.p., p. 292.
[6] Vanuit een systeemtheoretisch gezichtspunt vgl. Elena Esposito, Die Fiktion der wahrscheinlichen Realität, Frankfurt a. M. 2007. Een samenvatting van het algemene debat wordt gegeven in een literatuurverslag van Christoph Henning: “Bankenkrise, Wirtschaftskrise, Sinnkrise? Über literarische Krisenindustrie und Neubestimmungen des Kapitalismus”, Philosophische Rundschau, jaargang 57, nummer 3, 2010, pp. 254-271.
[7] Vgl. E. Illouz, Gefühle in Zeiten des Kapitalismus, Frankfurt a. M. 2006; vgl. ook van dezelfde auteur Der Konsum der Romantik. Liebe und die kulturelen Widersprüche des Kapitalismus, Frankfurt a. M. 2007.

GEEN REACTIES

LAAT EEN REACTIE ACHTER