Filosofie

Waarom we zo weinig verstand hebben van welzijn

Sinds ze de Fyra van Amsterdam naar Antwerpen hebben afgeschaft bereiken de berichten uit Nederland Vlaanderen met stevige vertraging. Vandaar ongetwijfeld dat ik pas recentelijk de recensie in Vrij Nederland van mijn nieuw boek De schaduw van de verlichting. De westerse worsteling met welzijnonder ogen kreeg.

En eerlijk – ik wist niet wat ik las. De recensie leek me welhaast van een andere planeet te komen en over een ander boek te gaan. Er stonden te veel zinnen en stellingen in die ik nooit zou durven uitspreken, laat staan te boek stellen. Een snelle controle met de zoekfunctie van google maakte me duidelijk dat quasi alle citaten uit de laatste 20 pagina’s kwamen, of van de achterflap, terwijl het toch een dikke turf van 400 pagina’s is geworden. Toen wist ik: ik was gewoon in snelheid gepakt. Maar ik bleef het wel irritant en onheus vinden dat de citaten meestal slechts uit een paar woorden bestonden en dat de recensent er dan veelal een naar zijn smaak convenabele zin van maakte, maar die ik dus nooit zou (onder)schrijven.

Eén voorbeeld. De recensent schreef: “Mensen moeten elkaar helpen en bij elkaar schuilen om staande te blijven in deze, wat Van Tilt noemt, ‘grave new world’.” Terwijl in het boek staat: “Als de intrinsieke, natuurlijke geraaktheid en zorgzaamheid van de mens voor zijn naasten niet meer gecultiveerd worden, dan stevenen we af op een grave new world waar niks nog spontaan verloopt en alle menselijk verkeer extrinsiek moet aangestuurd worden.”

Een variante bijna op die mooie zin van de Franse filosoof André Comte-Sponville: “Als de liefde wegvalt, hebben we alleen nog de wet over om ons het kwade te verbieden”. Die evolutie is onmiskenbaar. De juridische, instrumentele wereld breidt met de dag uit. En de vervreemding en de onwelheid die daaruit voortvloeien kan ik niet anders dan als een kwalijke evolutie bestempelen.

De schittering van de verlichting
Maar dit neemt allemaal niet weg dat het verlichtingsdenken onze wereld enorm heeft geüpgraded. Natuurlijk zijn er héél veel plekken op aarde waar het minder goed toeven is dan hier. Zelden gebeurt het dat een westerling na een reis willens en wetens niet terugkeert naar zijn heimat, en ‘van de andere kant’ doen mensen de gekste kamikazepogingen om alsnog in Fort Europa binnen te geraken.

Natuurlijk heeft de verworven welvaart ons veel ‘goed’ gedaan en ons in dezelfde beweging ook een pak welzijn geschonken. De vooruitgang qua medische zorgen, qua behuizing, qua hygiëne, qua voedselvariatie: zelfs iemand zoals Keizer Karel V, eigenaar van een wereldrijk in de 16e eeuw, zou zich een paria voelen, wanneer hij hier en nu met zijn hebben en houwen en met al zijn aanhorigheden zou terugkomen en ons modern comfort zou aanschouwen.

Natuurlijk zijn vrijheid en emancipatie en de erkenning van de mens als individuus – als één en ondeelbaar – van de hoogste waarden. We mogen ze nooit meer afgeven. Wie ooit de film ‘Daens’ gezien heeft over de onmenselijke onderdrukking van de arbeiders en de kind-arbeiders – einde van de 19e eeuw – tegen de machinaties van hun bazen weet dat terreur en diepe armoede toen nog het lot waren van het gros van de mensen. Tot gisteren bijna (zeker bekeken in historisch perspectief) was het leven – brutaal gezegd – bovenal kweken en u verweren en krabbelen om overeind te blijven, en hopen dat een paar van uw kinderen in leven bleven om uzelf nog wat langer in leven te houden.

En natuurlijk moeten we blij zijn dat de mens op een bepaald moment voluit is gaan inzetten op zijn verstand. Het heeft ons, westerlingen, geen windeieren gelegd. Het cogito ergo sum van Descartes en de oproep van Kant – sapere aude! – waren de ordewoorden die op een mum van tijd voor een nieuwe wereld gezorgd hebben, waarvan mensen altijd alleen maar in mythische verhalen hadden kunnen dromen. De Hoorn des Overvloeds werd ons reële deel. Bergen welvaart en technologische hoogstandjes zouden de mens zelfs even doen wanen dat hij een God was in het diepst van zijn wezen. Eindelijk ‘vooruitgang’! Ad infinitum! En er is nog meer. Het geloof in de omnipotentie van de rede heeft niet alleen een onwaarschijnlijke hoeveelheid goederen opgehoest, maar daar bovenop ook heel veel goeds teweeggebracht – denk maar aan een monument als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948.

De relativiteit van de rationaliteit

En toch.
Misschien is de rede toch niet het sluitstuk van alles.

Iemand als Steven Pinker, de gerenommeerde evolutiepsycholoog, stelt bijvoorbeeld dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens er alleen maar is kunnen komen omdat de mens altijd al morele intuïties heeft gehad waaruit nadien echte moraliteitsregels konden groeien. Frans De Waal – de ‘apenfluisteraar’ en gezaghebbende bioloog die in zijn boeken altijd ook de ethische registers weet open te trekken – verwoordde het zo: “Als ik dingen lees als dat ons gevoel voor rechtvaardigheid afkomstig is van de Franse Revolutie, dat we de democratie zelf uitgevonden hebben of dat ethiek iets is dat we zelf bedenken, op zijn kantiaans, dan denk ik altijd: welnee, dat is allemaal veel ouder.”

Misschien is de ratio toch niet dat ultieme sluitstuk waarvoor we ze hier zijn gaan nemen. En zeker niet als het over ‘de immateriële materie’ gaat, over de zoektocht van mensen naar meer welzijn en geluk, en naar meer moraliteit in wat meer en meer de risicomaatschappij genoemd wordt.

Deze gedachte liet mij niet meer los sinds die vergadering in juni 1994 met toenmalig Vlaams minister van Welzijn Wivina Demeester en een select groepje beleidsmensen en wetenschappers die zich over haar plan bogen om met een Witboek Kwaliteitszorg de welzijnssector een kwaliteitsboost te geven. Blijkbaar was ik daar tussen dat kransje hoogwaardigheidsbekleders beland omdat de minister mijn eerste boek (dat toen juist uitgekomen was) had weten te appreciëren. Maar feit bleef ook dat ik daar dus als enige kleine basiswerker tussen al die grote denkers en beleidsbepalers zat, terwijl het opzet van de minister toch een enorme invloed zou gaan hebben op het welzijnswerk aan de basis.

Moest ik nu gelukkig zijn dat er toch één veldwerker aan deze belangrijke vergadering participeerde? De samenstelling van de groep vond ik in wezen bedenkelijk, maar ik had natuurlijk al lang begrepen dat de belangrijke beslissingen in de wereld altijd ook door ‘topmensen’ genomen worden…

Maar wat mij van de bijeenkomsten vooral zou bijblijven, achtervolgen zelfs twintig jaar lang, was die ene zin van die leidende ambtenaar: “Pas als wij er in slagen om kwaliteit kwantitatief uit te drukken, gaan wij kwaliteit echt kunnen borgen en zullen de effectiviteit van het welzijnswerk en het welzijn in de samenleving snel en drastisch toenemen.”

Toen al wist ik dat het niet klopte. Dat pure rationaliteit onze immateriële wereld niet vooruit helpt, en dat de ratio, overgeleverd aan zichzelf, zelfs een stoorzender wordt naar welzijn en moraliteit.

Ik legde de vergadering dat fameuze zinnetje voor van de Engelse romanschrijver G.K. Chesterton uit 1908: “The madman is not the man who has lost his reason. The madman is the man who has lost everything except his reason.” De psychopaat is niet zijn verstand verloren. Neen, hij is alles verloren behalve zijn verstand… (In die dagen kon ik ‘helaas’ nog niet verwijzen naar Marc Dutroux of naar de witte-boord-psychopaten die de recente economische crisis hebben veroorzaakt).

Ik gaf de vergadering ook twee voorbeelden uit mijn praktijk, om duidelijk te maken waar ik mijn mosterd haalde en dat kwaliteit veeleer in een klein hoekje zit en in wezen ook weinig affiniteit heeft met metenswaardigheden. En dat ‘goede zorg’, maar bij uitbreiding ook ‘de eudaimonia – het goede, florissante leven’ – niet zozeer met rationaliteit maar bovenal met deugddoende relationaliteit te maken heeft.

Ik oogstte beleefd, instemmend geknik. Het werd zelfs even stil. En daarna ging men opnieuw over tot de orde van de dag.

In de jaren nadien zou ik een aantal artikels schrijven over ‘kwaliteitszorg’ en over ‘kwaliteit van leven’. En meer dan 100 voordrachten die daaruit volgden zouden mij alleen maar sterken in de wetenschap die mijn praktijkwerk mij welhaast opgedrongen had.

Twee stevige eyeopeners had ‘het veldwerk’ mij toen al gegeven. Twee eyeopeners die mijn kijk op mens en samenleving ingrijpend zouden beïnvloeden en aan de basis liggen van dit boek.

De eerste eyeopener verwoord ik nogal eens met het statement “dat armoede meer en meer een probleem van rijkdom geworden is”. Het is bizar en ontluisterend bijna, maar het woord ‘armoede’ komt van het Middelnederlandse ‘in arren moede’. De etymologie van armoede verwijst dus merkwaardig genoeg niet naar een materieel tekort maar wel naar de ultieme immateriële pijn van vandaag, naar de pijn van het (niet) zijn. Naar mensen die ‘in arren moede’ leven, die met een verdwaald gemoed (van het Latijnse werkwoord errare, dwalen) door het leven stappen.

Toen ik in 1978 begon te werken was ‘de psychiatrie’ vooral een asiel voor marginale, arme mensen. Ondertussen heeft iedereen – arm of rijk – zijn kennis of familielid die met de geestelijke gezondheidszorg te maken heeft.

Tot eind van de jaren tachtig was ons crisisopvangcentrum vooral bevolkt door oudere mannen, wiens lijf en leden je onvermijdelijk duidelijk maakten dat ze sukkelaars en armoezaaiers waren en dat ook gans hun leven zouden blijven. Vanaf de nineties veranderde de populatie daar zeer snel en zag je daar meer en meer jonge mensen opduiken die daar ‘met gevulde handen’ voor je stonden – op het eerste gezicht niks tekort – maar wel met een holle blik in de ogen. Blik op oneindig: wie ben ik, wie zou er in mij geïnteresseerd kunnen zijn, wat kan ik voor de fuck met mijn leven aanvangen?

Mensen van 20 of jonger. Op nauwelijks tien jaar tijd was ook de arren moede evenwichtig verdeeld en gedemocratiseerd geraakt.

Vrijwilligers gaven mij een tweede eyeopener en een belangrijke levensles. In Oikonde Leuven, mijn werkplek, hebben vrijwilligers altijd heel belangrijke zorgtaken opgenomen, samen met de professionele begeleiders. Vanaf 1969, lang voor er sprake was van woorden als ‘buddy’ of ‘maatje’ of ‘vermaatschappelijking van de zorg’ deelde de ene vrijwilliger er een stuk van zijn leven met ‘Wim’, een ander trok op met ‘Marlies’, en die vriendschapsbanden gaan dikwijls een leven lang mee.

Van vrijwilligers en cliënten leerde ik dat ‘therapie’ absoluut geen patent is van professionele zorgverleners. Via hen ontdekte ik wat ik gaandeweg ‘de therapeutische kracht van de kleine goedheid’ ben gaan noemen. Heling, de basics van goede zorg, maar ook het heil, de basics van het goede leven en het goede samenleven hebben in wezen minder te maken met grote theorieën of methodieken (en zeker niet met postmoderne trukendozen), maar vinden hun kracht vooral in een basishouding van aandacht en respectvolle betrokkenheid. In de helende echtheid, die ook authenticiteit genoemd wordt. In vormen van wederkerigheid, vormen van ruilen, daarom niet altijd op een weegschaal afgemeten maar waar het leven altijd wel op gedraaid heeft.

Geven en laten geven

Veertig jaar ‘veldwerk’ leerde mij dat een mens geen resem geluksboeken moet kopen of vormingscursussen moet volgen om met wat luck en a little help from my friends in de buurt te komen van een gelukt leven.

In wezen zit een mens vrij simpel in mekaar, heb ik mogen begrijpen. Wie je ook bent, iedere mens wil ‘dragen en gedragen worden’. En als het daarmee een beetje meezit kan een mens aardig in de buurt van de eudaimonia komen.

Gedragenheid is het fundament, en niet iedereen is dit helaas gegund. Zonder voldoende geborgenheid en nestwarmte wordt het leven snel een hachelijke, soms zelfs een zure of beangstigende onderneming. Wie als kind niet voldoende basisveiligheid en gedragenheid heeft mogen ervaren, kan dit gemis moeilijk inhalen en mist daardoor dikwijls het vertrouwen om het leven met kracht en goesting tegemoet te gaan.

Maar zelfs bij mensen die met het gemis zijn opgegroeid en niet de gedragenheid ervaren hebben waarop ze recht hadden, zag ik veelal toch het verlangen, de drang zelfs om te ‘dragen’. De wens, de wil, de zoektocht, de calvarietocht soms om toch iets te kunnen betekenen voor een ander, om een spoor achter te laten waar anderen – hopelijk – iets aan hebben is ongetwijfeld een diepmenselijke drijfveer waar onze westerse cultuur te weinig affiniteit mee heeft. Het kapitalisme heeft er zelfs totaal geen boodschap aan…

Conclusie: geborgenheid is het fundament van het leven en zingeving is de finaliteit van het leven. Zowel goede zorg als het goede leven begint en eindigt met voldoende weldoende relationaliteit.

En hier raken we dus de achilleshiel van onze westerse cultuur, dunkt mij. Een cultuur die tot gigantische wetenschappelijke en technologische prestaties in staat is, maar alle moeite heeft om welzijn en geluk te genereren. Sta mij toe om voor een keer uit mijn boek (p. 34) te citeren.

“Met zuivere rationaliteit kan een mens moeiteloos wiskunde bedrijven, maar niet de rechtvaardigheid, niet de liefde; met zuivere rationaliteit kan een mens technologische hoogstandjes verwezenlijken, maar is hij – bij gebrek aan voldoende richtingaanwijzers – gedoemd om op menselijk vlak de bal dikwijls mis te slaan en op moreel vlak dikwijls laag te vallen.”

Cultuur van angst

Ik trechter verder.
De ultieme drive om dit boek te schrijven was mijn verwondering en toenemende verbazing dat we er hier nog altijd niet in slagen om openlijk en constructief de link te leggen tussen enerzijds een inflatie van ‘mentale aberraties’ die een groeiend aantal mensen heel veel pijn doen en anderzijds een cultuur die het belang van de rationaliteit schromelijk is gaan overdrijven en in dezelfde beweging het belang van de relationaliteit danig is gaan bagatelliseren.

Toenemende stress en CVS, burn-out, het druggebruik en het alcoholisme die de armoede al lang ontgroeid zijn, ADHD en de inflatie aan autismespectrumstoornissen, de zorgwekkende toename van kinderen met psychiatrische ziektebeelden, de toestroom in de geestelijke gezondheidszorg, de niet te beteugelen zelfmoordcijfers en de hallucinante depressiecijfers… Voor 2012 (de recentste jaarcijfers) heeft het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu berekend dat 968.500 Nederlanders antidepressiva hadden genomen. En het wist ook nog te zeggen dat 20% van de bevolking gedurende het leven met een ernstige depressie zal kampen. En dat die trend de volgende decennia alleen nog zal toenemen…

Al dat lijden en al die pijn worden nog steeds niet ernstig genomen. Want ofwel wordt verwezen naar een ongelukkige samenloop van omgevingsfactoren, ofwel zou de oorzaak te vinden zijn bij opspelende genen van individuele personen (waarvoor de farmaceutische industrie de gepaste medicamenten aan het aanmaken is). Maar men zal er zich wel voor hoeden om enig verband te leggen met een cultuur die de waarden die haar inderdaad groot hebben gemaakt zodanig is gaan verabsoluteren dat het onwaarden en vernietigers van welzijn dreigen te worden.

Ik heb hier maar één ernstige verklaring voor: angst. Angst voor total loss, zowel in onze handen als in ons hoofd.

Triomf in 1989. Met de val van de Muur leek de westerse suprematie – zowel op economisch als op militair en ideologisch vlak – wel gebeiteld. Francis Fukuyama schreef in die dagen zelfs het boek ‘The end of history’. Ons maatschappijmodel leek zo superieur dat de ouwe Bush euforisch uitriep: “We will bring democracy to the World!”. Irak zou het eerste land worden dat kennis zou kunnen maken met de westerse zegeningen en het Pentagon (waar branie blijkbaar omgekeerd evenredig is met emotionele intelligentie) voorzag al hoe al die onderdrukte volkeren met vlag en wimpel zouden staan zwaaien om die bevrijdende westerse weldadigheid met hartstocht te omarmen. De wereld zou a global village worden, naar westers model.

Het verhaal liep totaal anders af. De economische superioriteit van het Westen kalfde gestaag af, in New York stortten torens als los zand in mekaar, het terrorisme van Al Qaeda daagde uit en lachte met de militaire macht van de VS, een inflatie van asielzoekers en ander vreemd gespuis overspoelde onze contreien, er was de huizencrisis in Amerika, de bankencrisis, de economische crisis hier, de groeiende spanningen opnieuw met Rusland, de schrik voor ISIS – de ‘verbeterde’ versie van Al Qaeda…

Na de Val ging het dus juist bergaf.

Angst bekroop ‘de bange blanke man’, en angst – het is geweten – is altijd een slechte raadgever.

Er was de angst om die plots verworven welvaart even plots ook weer te verliezen. Zo bang waren we, dat we aan geen enkele steen durfden te wrikken, bevreesd als we waren en nog altijd zijn dat gans het gebouw dan wel eens zou kunnen instorten, en we opnieuw in the struggle for life en in de brute afhankelijkheid zouden geworpen worden.

Begrijpelijk, natuurlijk. Zowat gans zijn geschiedenis – van zodra hij rechtop ging staan tot pakweg honderd jaar geleden – heeft de modale mens in onmacht en ontbering geleefd. Evident dus dat hij de materiële wereld is gaan omarmen als het leven zelf, en dat hij de materie zal willen blijven koesteren.

Alleen: hoe moet je juist omgaan met iets wat je altijd gemist maar nooit gekend hebt? De consumens van vandaag leeft in de overvloed en tegelijk toch groeit de leegte. Het was de Oostenrijkse psychiater Victor Frankl die er ons al vanuit zijn concentratiekampervaringen in Auschwitz op wees hoe ledig – zinledig vooral de overvloed kan worden, en hoe belangrijk immateriële waarden (en vooral “de toewijding aan een taak en aan mekaar”) zijn, niet alleen voor de geestelijke gezondheid maar zelfs voor het puur fysieke overleven.

Angst immobiliseert de westerse cultuur vandaag te zeer. Frank Furedi maakte er in 1997 al allusie op in zijn ophefmakende boek ‘The culture of fear’. Angst doet mensen grijpen naar almaar meer van hetzelfde, zodat mooie waarden door hun verabsolutering helaas onwaarden dreigen te worden, met ontevredenheid en onverdraagzaamheid en verzuring, met een hoop mentale aberraties en pijn tot gevolg.

Als de hoofdopdracht van een cultuur er in bestaat om het leven van haar ingezetenen te verbeteren en te vergemakkelijken, dan is er werk aan de winkel. Dan is het de hoogste tijd dat eindelijk bovengespit raakt wat al dertig jaar het daglicht had moeten zien: dat deze westerse cultuur dringend op zoek moet naar nieuwe waarde-volle evenwichten.

Neen, geen tabula rasa dus, dat is zeker niet mijn pleidooi. Dat is ook de reden waarom ik mijn oorspronkelijke titel ‘Doe de verlichting eens uit’ snel heb laten varen. Ik bepleit geen revolutie; een mens zou wel gek zijn om al het waardevols van de westerse beschaving zo maar te grabbel te gooien.

Maar om van deze wereld van de goederen alsnog een goede wereld te maken, om meer welzijn en geluk en moraliteit te genereren lijken mij drie vragen bijzonder relevant.

De eerste vraag is al een beetje een klassieker en heeft te maken met de plaats die we de materiële cultuur, ‘de economie en markt’, willen (blijven) geven in de uitbouw van onze polis. Hoe gaan we er in slagen om alsnog die last jump van welvaart naar welzijn te maken, waarvan de revolutionairen van mei ’68 en zelfs Martin – I have a dream – Luther King dachten dat het maar een kwestie van tijd zou zijn.

Ook het paradigma van de macht, van de maakbaarheid en het beheersen, dat al eeuwenlang zo kenmerkend is voor onze cultuur en in de hoogdagen van de rationaliteit nog een extra boost heeft gekregen, blijft niet houdbaar. Wetenschap en technologie hebben de maakbaarheidswaan even naar ongekende hoogtes gestuurd, maar de realiteit dringt zich meer op dat er in het leven gewoon heel veel basaal te aanvaarden valt. Sterker nog: in deze hoogtechnologische netwerkwereld worden de interdependentie en de confrontatie met de menselijke kwetsbaarheid juist iedere dag groter. In die mate dat iemand als Ulrich Beck onze wereld onomkeerbaar als een risicowereld is gaan definiëren.

En de belangrijkste vraag – dunkt mij – gaat zowaar zelfs over de vraag naar onze menselijke identiteit: is een mens in essentie een ego, zoals deze liberaal-economische cultuur al bijna vierhonderd jaar probeert vol te houden, of is hij toch vooral een socius? Of hebben we iets van allebei? En welke enorme consequenties kan dat dan hebben voor ons mens- en maatschappijbeeld?

De filosofe Martha Nussbaum, de theologe Karen Armstrong, de socioloog Richard Sennett, de politicoloog Robert Putnam, de econoom Jeremy Rifkin, de psycholoog-neurowetenschapper Christian Keysers, de neuroloog Antonio Damasio, de bioloog Frans de Waal: de lijst wordt alleszins stilaan eindeloos van de wetenschappers die de laatste twee decennia vanuit hun vakgebied onderzoek hebben gedaan en boeken hebben geschreven rond het cruciale belang van empathie voor de prosperity van people en planet.

Een wereld in de steigers

Het Westen, neen gans de wereldbevolking staat nog voor een enorme zoektocht: hoe een wereld (be)leefbaar houden, waar “de technologie exponentieel groeit en ons besef daarvan helaas slechts lineair”, zoals de historicus Philipp Blomm in zijn recent boek Alleen de wolken schamper opmerkt. Overigens had de filosoof Hans Jonas hem dat in 1974 al ongeveer voorgezegd: “Never was so much power coupled with so little guidance for its use. We need wisdom most when we believe in it least”.

Deze stellingen raken aan de baseline van mijn betoog: dat het menselijke verstand – en bij uitbreiding de experimenteel-wetenschappelijke methodes die steeds meer opgang zijn gaan maken en aanzien zijn gaan krijgen – uitmuntende instrumenten waren om welvaart en technologische vooruitgang te bewerkstelligen, maar dat de ratio an sich bitter weinig handvaten aan te reiken heeft als het onze immateriële wereld betreft.

Om welzijn en geluk en moraliteit beter te verankeren, en uiteindelijk dus ook de overleving van de planeet beter te waarborgen zullen we meer nodig hebben dan rationaliteit. Meer dan ooit tevoren toont de wereld zich (Alfred North Whitehead signaleerde het al bijna 100 jaar geleden) als een netwerk van betrokkenheid en creativiteit. Om op die dynamische wereld, die risicowereld adequater in te spelen zal het geen overbodige luxe om alle kennisbronnen aan te spreken. Ook al die ‘oude’ kennisbronnen dus – de zintuiglijke kennis, de praktijkkennis, de ervaringskennis, de emotionele kennis, de tacit knowledge – die we in de (hoogmoedige) hoogdagen van de rationaliteit al te zeer zijn gaan bagatelliseren en afbouwen.

Galilei kon in 1630 nog in opperste verbazing en ontzag uitroepen dat het Boek van de Natuur geschreven was in wiskundige symbolen, maar in het volle leven van iedere dag, bevolkt door mensen met hun grillen en grollen, is weinig rechtlijnigheid te vinden. In de zoektocht naar waarheid kan je met zuiver rationele methodes behoorlijk ver komen. In de zoektocht naar het goede leven, naar de waardheid van de dingen, naar wat écht waardevol en écht belangrijk is om na te streven, kan vooral relationele kennis houvast geven, en zullen de oude, verguisde kennisbronnen opnieuw belangrijke richtingaanwijzers moeten worden.

We need wisdom most when we believe in it least. Alleen een nieuwe, volwassen verhouding tussen ratio en relatio kan van verstandige mensen ook wijze mensen maken. Alleen meer wijsheid kan meer welzijn genereren en de planeet voor dwaasheden behoeden.

Eddy

Eddy Van Tilt (1952) heeft 35 jaar therapeutisch werk achter de rug, is eindredacteur van het welzijnstijdschrift Oikonde en publiceerde eerder Is de achterdeur op slot? Onlangs verscheen bij Uitgeverij Klement van zijn hand het boek De schaduw van de verlichting.

Deel:
VORIGE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie
VOLGENDE ARTIKEL

Geplaatst door - - 0 reactie

Geef een reactie